2 talen
Tadd Dameron
Uit HitStory, de popencyclopedie van School of Rock · Artiest
Tadd Dameron, geboren in 1917 in Cleveland, Ohio, was jazzpianist, componist en arrangeur. Hij kreeg al op vierjarige leeftijd pianoles en leerde zichzelf het orkestreren. Zijn eerste arrangementen schreef hij in 1938 voor een bigband uit zijn geboortestad. In 1940 en 1941 speelde hij piano en arrangeerde hij voor Harlan Leonard and his Rockets in Kansas City. In New York ontmoette hij Charlie Parker en de jonge bopmuzikanten.
Muziek en doorbraak
Dameron geldt als de invloedrijkste arrangeur van het bop-tijdperk. Hij schreef voor onder meer Count Basie, Artie Shaw, Dizzy Gillespie, Billy Eckstine en Sarah Vaughan. Voor Vaughan schreef hij samen met tekstschrijver Carl Sigman If You Could See Me Now. In 1948 speelde Gillespie zijn grote orkestwerk Soulphony in Three Hearts in Carnegie Hall, en in 1949 trad hij op het jazzfestival van Parijs op met Miles Davis. Zijn eigen groepen uit de late jaren veertig en vroege jaren vijftig telden musici als Fats Navarro, Dexter Gordon, Sonny Rollins en Clifford Brown. In 1956 nam hij Fontainebleau en Mating Call op, het laatste met John Coltrane.
Invloed
Zijn bekendste stukken zijn Hot House, Our Delight, Good Bait en Lady Bird. Die melodieën bleven standaardrepertoire. Hot House is geschreven op de akkoorden van What Is This Thing Called Love, een gewoonte in de bop: een nieuwe melodie op een bestaand akkoordenschema. Dameron was geen groot virtuoos, maar hij schreef melodieën en balladen met veel sfeer. Drugsproblemen en ziekte beperkten zijn latere werk, en hij overleed in 1965.
Luisteren
Lady Bird · Tadd Dameron, 1948
Discografie
Studioalbums
- 1957Mating Call
- 1987Fontainebleau
In School of Rock
- Mixtape 5: Jazz Festival Reader
Onder Donna Lee ligt de standard Indiana , en Hot House van Tadd Dameron is geschreven op What Is This Thing Called Love .
- After Hours: Sessie 2 Reader
Take 05 · 1945-1957 · Harlem, New York Mary Lou Williams en de stemmen van de bop Mary Lou Williams thuis met Milt Orent, Tadd Dameron en Dizzy Gillespie, 1947 De geschiedenis van bebop wordt vaak verteld als een verhaal van mannen.
