After Hours · Sessie 2

Na middernacht

Moderne jazz: van de jamsessies in Harlem via bebop en cool naar hard bop en Kind of Blue, 1940–1960.

Rond 1940 speelden de beste jazzmusici van Amerika 's avonds in bigbands, voor dansers, in balzalen en theaters. Hun werk was strak geregeld: een arrangeur schreef de partijen uit, een solo duurde een paar maten, en het tempo moest dansbaar blijven. Na sluitingstijd gingen veel van die musici nog ergens anders heen. In kleine clubs in Harlem en later in de kelders van 52nd Street in Manhattan speelden ze tot diep in de nacht, voor zichzelf en voor elkaar. Daar, na middernacht, ontstond een nieuwe jazz: sneller, harmonisch rijker en bedoeld om naar te luisteren in plaats van op te dansen.

Die nieuwe jazz kreeg de naam bebop, en in twintig jaar tijd werd hij in steeds nieuwe richtingen uitgewerkt. Een groep rond trompettist Miles Davis en arrangeur Gil Evans maakte de klank zachter en de arrangementen belangrijker. In Californië groeide daaruit een lichte, heldere stijl die het publiek van de universiteiten veroverde. Aan de oostkust grepen zwarte musici juist terug op blues en gospel, en het label Blue Note gaf die muziek een eigen klank en een eigen beeld. Tegelijk zochten musici aansluiting bij de Cubaanse dansmuziek en bij de Europese concertmuziek.

Het verhaal van deze sessie speelt zich grotendeels af in New York, met uitstapjes naar Havana, Los Angeles, Parijs en Den Haag. Het begint met jamsessies in een hotelbar in Harlem en eindigt in 1959, het jaar waarin Kind of Blue van Miles Davis en Giant Steps van John Coltrane werden opgenomen. Wat in die twintig jaar ontstond, de combo van vier of vijf musici, de vorm met thema en solo's, het repertoire van standards en eigen composities, is nog altijd de basis van wat op conservatoria en in jazzclubs wordt gespeeld.

Set 1 · 1940-1950

Bebop

Jamsessies in Harlem, de clubs van 52nd Street en een conga in de bigband.

Take 01 · 1940-1944 · Harlem, New York

Na sluitingstijd bij Minton's

Coleman Hawkins
Coleman Hawkins in de Spotlite, New York, 1946

Aan West 118th Street in Harlem staat het Hotel Cecil. Op de begane grond zat een bar met een klein podium: Minton's Playhouse, opgezet door de saxofonist Henry Minton. Eind 1940 nam Minton een nieuwe bedrijfsleider aan, Teddy Hill. Hill had in de jaren dertig een eigen bigband geleid, en hij gaf een paar musici uit die band werk als huisband. De belangrijkste waren de drummer Kenny Clarke en de trompettist Joe Guy. Aan de piano kwam een jonge pianist uit de wijk San Juan Hill in Manhattan: Thelonious Monk.

Minton's werd beroemd om zijn jamsessies: avonden waarop musici zonder afspraak bij elkaar kwamen en samen speelden, vaak tot in de vroege ochtend. Op maandagavond waren de artiesten van het Apollo Theater, het grote theater van Harlem, er te gast; de eigenaren van het Apollo betaalden hun eten en drinken. Ook de grote solisten van de swing, zoals Lester Young, Ben Webster, Roy Eldridge en Coleman Hawkins, schoven aan. Zo'n sessie was ook een wedstrijd. Wie een solo begon, moest laten horen dat hij meer kon dan de vorige. Zulke duels heetten cutting sessions: wie het niet bijhield, werd van het podium 'gesneden'.

De huisband vond een manier om ongenode gasten buiten te houden. Monk en Clarke speelden standards in een hoog tempo en met nieuwe, ingewikkelde akkoorden onder de bekende melodie. Wie die akkoorden niet herkende, raakte de draad kwijt. Clarke speelde daarbij op een nieuwe manier. Hij hield de puls bij op het bekken in plaats van op de bassdrum, en gebruikte de bassdrum alleen voor onverwachte accenten (zie Mixtape 5). Daarmee kreeg het ritme meer lucht, en de andere musici meer vrijheid. Zijn bijnaam, Klook, zou een nabootsing zijn van zo'n onverwachte slag.

Een van de vaste gasten was Charlie Christian, de gitarist van Benny Goodman. Christian werd in 1916 in Texas geboren en groeide op in Oklahoma City. Hij was een van de eerste jazzgitaristen die een elektrische gitaar met versterker gebruikte. Daardoor kon de gitaar voor het eerst boven een band uit klinken en solo's spelen zoals een saxofoon. Na zijn werk bij Goodman kwam hij 's avonds naar Minton's, waar Teddy Hill een versterker voor hem had neergezet, zodat hij die niet steeds hoefde mee te slepen. In 1941 nam een student van Columbia University, Jerry Newman, een paar van die sessies op met een draagbare platenrecorder. Een van die opnames kwam veel later uit onder de titel Swing to Bop. Het stuk is gebaseerd op Topsy, een swingnummer uit de jaren dertig. Christian speelt er lange lijnen in gelijkmatige achtste noten die over de grenzen van de maat heen lopen, precies zoals de bebopsolisten een paar jaar later zouden doen. Hij heeft die ontwikkeling niet meer meegemaakt. Christian kreeg tuberculose en overleed op 2 maart 1942 in een sanatorium, 25 jaar oud.

Dat we van de eerste jaren van bebop zo weinig opnames hebben, heeft nog een reden. In augustus 1942 legde de vakbond van musici, de American Federation of Musicians, een opnameverbod op. De bond wilde dat platenmaatschappijen musici betaalden voor platen die op de radio en in jukeboxen werden gedraaid. Decca sloot in september 1943 een akkoord met de bond, Columbia en Victor pas in november 1944. Juist in die twee jaar, waarin de nieuwe stijl zich ontwikkelde, mochten leden van de bond geen platen maken. Toen de studio's weer opengingen, klonk de jazz uit de clubs ineens heel anders dan het publiek van de radio gewend was.

De eerste die de nieuwe musici een studio in haalde, was niet een van hen, maar een oudere ster. Coleman Hawkins werd in 1904 in St. Joseph, Missouri, geboren. Met zijn grote, volle toon had hij de tenorsaxofoon in de jaren twintig tot een solo-instrument gemaakt. In 1939 had hij een hit met Body and Soul, een ballad waarin hij de melodie bijna meteen loslaat en twee chorussen lang over de akkoorden improviseert. Een chorus is één keer de volledige vorm van een stuk, in dit geval 32 maten. Hawkins dacht in akkoorden, en daarom begreep hij wat de jongere musici zochten. In februari 1944 nam hij voor het kleine label Apollo een reeks stukken op met onder anderen trompettist Dizzy Gillespie, bassist Oscar Pettiford en drummer Max Roach. Een van die stukken was Woody'n You, een compositie van Gillespie. Het wordt vaak genoemd als de eerste studio-opname van bebop. Later dat jaar nam Hawkins ook Thelonious Monk in zijn kwartet op. Zo werd een musicus uit het tijdperk van de swing de beschermheer van de nieuwe generatie, die de swing achter zich wilde laten.

Take 02 · 1937-1955 · Kansas City, New York

Bird

Charlie Parker met Tommy Potter en Miles Davis
Charlie Parker in de Three Deuces, New York, 1947

Charlie Parker werd op 29 augustus 1920 geboren in Kansas City, en groeide op aan de kant van de stad die in Missouri ligt. In de jaren dertig was Kansas City een stad waar de nachtclubs nooit leken te sluiten. Het stadsbestuur keek de andere kant op, en in tientallen clubs speelden bands tot de ochtend. De muziek daar was gebouwd op de blues en op riffs: korte, herhaalde melodische figuren die een blazersgroep achter een solist speelt, steeds harder en opzwepender. Het orkest van Count Basie kwam uit deze wereld voort (zie Sessie 1).

Parker was als tiener een fanatieke maar nog onzekere altsaxofonist. Volgens een bekend verhaal raakte hij tijdens een jamsessie in 1936 of 1937 de draad zo kwijt dat drummer Jo Jones van de Basie-band een bekken voor zijn voeten gooide, een teken dat hij moest ophouden. Parker oefende daarna maandenlang, vaak urenlang per dag. Hij leerde de solo's van Lester Young, Basies tenorsaxofonist, uit zijn hoofd en speelde stukken in alle twaalf toonsoorten. Lester Young was een voorbeeld omdat hij licht en melodisch speelde, met lange zinnen die soepel over de maatstrepen heen liepen.

Vanaf 1938 speelde Parker in de band van pianist Jay McShann, die zelf uit Oklahoma kwam. Op 30 april 1941 nam de band in Dallas een paar nummers op voor het label Decca. Een daarvan was Hootie Blues, een langzame blues gezongen door Walter Brown. Parker speelt er een solo van één chorus. Die geldt als zijn eerste solo op een commerciële plaat. Je hoort de blues uit Kansas City, maar ook al de lange, beweeglijke zinnen die later zijn handelsmerk werden.

Parker vertelde later dat hij in 1939 in New York, bij het spelen van de standard Cherokee, iets ontdekte wat hem verder hielp. Hij merkte dat hij de hogere tonen van een akkoord, de negende, de elfde en de dertiende, als melodielijn kon gebruiken, en dat hij met de juiste begeleiding akkoorden kon spelen die op het eerste gehoor niet bij het stuk hoorden. Dat werd de kern van zijn stijl. Toen hij in 1942 met de band van McShann in New York bleef, ging hij naar Minton's en naar Monroe's Uptown House, een andere club in Harlem waar 's nachts werd gejamd. In 1943 speelde hij met Dizzy Gillespie in de bigband van pianist Earl Hines, en in 1944 in de band van zanger Billy Eckstine. Van de Hines-band bestaan door het opnameverbod geen studio-opnames. Wat Parker en Gillespie daar samen ontwikkelden, hoorde het publiek pas in 1945. Zijn bijnaam, Yardbird, al snel ingekort tot Bird, had Parker al eerder gekregen, tijdens zijn tournees met de band van McShann.

Op 26 november 1945 leidde Parker voor het eerst een opnamesessie onder zijn eigen naam, voor het label Savoy in New York. Bij hem waren de negentienjarige Miles Davis op trompet, bassist Curly Russell en drummer Max Roach. Die dag ontstonden onder meer Now's the Time en Billie's Bounce, twee blues in F. Het hoogtepunt was Ko-Ko. Het stuk is gebaseerd op de akkoorden van Cherokee, waarover Parker zes jaar eerder zijn ontdekking had gedaan. Davis speelde het snelle intro niet; Gillespie nam die partij over: hij speelt de opening en het slot samen met Parker. Daartussen soleert Parker twee chorussen lang in een tempo van ver boven de 250 slagen per minuut. Hij speelt niet de melodie van Cherokee en zelfs geen eigen thema. Er is alleen een kort intro, de solo's en het slot. Daarmee laat Ko-Ko horen waar bebop om draait: de improvisatie zelf is het stuk geworden.

Parker was in de jaren daarna de grote voorbeeldfiguur van de moderne jazz, voor saxofonisten en voor iedere andere musicus. Maar hij was ook verslaafd aan heroïne en alcohol. In 1946 stortte hij in Los Angeles in en werd hij een halfjaar opgenomen in het Camarillo State Hospital; het stuk Relaxin' at Camarillo (1947) verwijst daarnaar. De verslaving zou een groot deel van de jongere bopmusici treffen, die hun idool ook daarin navolgden. In december 1949 opende in New York een nieuwe club die naar hem werd genoemd: Birdland. Parker overleed op 12 maart 1955 in New York, in de hotelsuite van de jazzmecenas Pannonica de Koenigswarter in het Stanhope Hotel. Hij was 34 jaar.

Take 03 · 1944-1948 · 52nd Street, Parijs

Dizzy en de Street

Dizzy Gillespie
Dizzy Gillespie in de Famous Door, New York, 1946

Waar Parker een intuïtieve solist was, was Dizzy Gillespie ook een leraar en organisator. John Birks Gillespie werd op 21 oktober 1917 in Cheraw, South Carolina, geboren. Zijn grote voorbeeld was Roy Eldridge, de felle trompettist van de swing. Van 1939 tot 1941 speelde hij in het orkest van Cab Calloway, waar de Cubaanse trompettist Mario Bauzá hem had binnengehaald. Gillespie was ook een goed pianist. Aan de piano liet hij andere musici zien welke akkoorden hij bedoelde, en hoe je een akkoord kon vervangen door een ander. Veel bopmusici hebben de nieuwe harmonie van hem geleerd.

Na Harlem verhuisde de nieuwe jazz naar het centrum van Manhattan. In één huizenblok van 52nd Street, tussen Fifth en Sixth Avenue, lagen in de jaren veertig tientallen kleine clubs naast elkaar, in de kelders en op de begane grond van oude woonhuizen: de Onyx, de Three Deuces, de Famous Door, de Spotlite, de Downbeat en Kelly's Stable. Musici en publiek noemden het blok kortweg the Street. Begin 1944 speelde Gillespie in de Onyx met een groep onder leiding van bassist Oscar Pettiford. Het was de eerste bebopgroep met een vast engagement op 52nd Street. De naam van de stijl kwam rond die tijd in omloop. Volgens de gangbare verklaring bootst 'bebop' de korte, scherpe slotnoten na waarmee veel boplijnen eindigen.

In 1945 namen Gillespie en Parker samen een reeks platen op die de nieuwe stijl voor het eerst goed vastlegden. In februari ontstond onder meer Groovin' High, een contrafact op de akkoorden van het oude liedje Whispering (zie Mixtape 5). Op 11 mei 1945 volgde een sessie voor het label Guild, met pianist Al Haig, bassist Curly Russell en drummer Sid Catlett. Daarbij ontstonden Shaw 'Nuff, Hot House en Salt Peanuts. Het thema van Salt Peanuts is gebouwd op een sprong van een octaaf, die Gillespie zingt als 'salt peanuts'. Daaromheen spelen Parker en Gillespie unisono, dat wil zeggen precies dezelfde melodie tegelijk, in een tempo waarin elke fout direct hoorbaar zou zijn. Na de thema's volgen korte, felle solo's. De plaat liet horen dat bebop ook humor had. Gillespie was een showman die het publiek aan het lachen kon maken, en die rol hielp hem om de moeilijke muziek te verkopen.

In december 1945 reisden Gillespie en Parker naar Los Angeles voor een reeks optredens in de club van Billy Berg in Hollywood. Het publiek daar kende de nieuwe muziek nauwelijks en reageerde koel. Gillespie ging terug naar New York, Parker bleef achter. Daar richtte Gillespie in 1946 een bigband op die bebop speelde: een orkest van ongeveer zeventien musici met secties van trompetten, trombones en saxofoons, net als in de swing, maar met de harmonie, de tempo's en de lijnen van de combo. De arrangementen van Gil Fuller en Gillespie zelf zijn snel en scherp. In Things to Come (1946), van Fuller en Gillespie, rennen de secties in unisono door een thema dat eigenlijk een uitgeschreven bopsolo is.

Begin 1948 ging de bigband op tournee door Europa. In Scandinavië, België en Frankrijk hoorde het publiek de nieuwe jazz voor het eerst live. Op 28 februari 1948 speelde het orkest in de Salle Pleyel in Parijs, de grote concertzaal waar normaal symfonieorkesten optraden. Van dat concert bestaat een opname, met onder meer Things to Come. In Parijs werd bebop met enthousiasme ontvangen, al waren er ook Franse critici die vonden dat dit geen echte jazz meer was. Die ruzie tussen liefhebbers van de oude stijl uit New Orleans en die van de moderne jazz zou in Europa nog jaren doorgaan.

Gillespie werd ook het gezicht van de beweging. Zijn baret, zijn sikje en zijn bril met hoornen montuur werden het uniform van de bopper, nagedaan door fans en uitvergroot in tijdschriften. De pers zag bebop vaak als een gekke mode, en Gillespie speelde dat spel mee. Maar wie naar de platen luistert, hoort een musicus die zijn instrument volledig beheerste en tegelijk nieuwe vormen zocht. Zijn interesse in ritme bracht hem in 1947 bij de Cubaanse muziek (zie Take 06).

Take 04 · 1944-1959 · New York, Parijs

Monk en Powell: twee pianisten

Thelonious Monk
Thelonious Monk bij Minton's, New York, 1947

Thelonious Monk werd op 10 oktober 1917 in Rocky Mount, North Carolina, geboren. Toen hij vier was, verhuisde het gezin naar New York, naar de wijk San Juan Hill aan de westkant van Manhattan. Als tiener reisde hij twee jaar mee met een rondtrekkende predikante, als begeleider van de diensten. Daarna werd hij de huispianist van Minton's. Monk was minder snel dan Parker of Gillespie, en hij was ook geen virtuoos in de gewone zin. Zijn bijdrage aan bebop lag in de harmonie en in zijn composities. Veel van de akkoorden die de bopmusici gebruikten, had hij al aan de piano van Minton's uitgeprobeerd.

Monks pianospel klinkt anders dan dat van welke andere pianist ook. Hij speelt vaak twee tonen die een halve toon van elkaar liggen tegelijk, zodat ze schuren. Zo'n samenklank heet een kleine secunde, en bij Monk klinkt die niet als een fout maar als een bewuste kleur. Hij gebruikt snelle loopjes in de hele-toonstoonladder, een toonladder die alleen uit hele tonen bestaat en daardoor geen duidelijke grondtoon heeft. En hij laat stiltes vallen op plekken waar je ze niet verwacht. Zijn melodieën springen, stoppen en beginnen opnieuw op een andere tel.

Zijn bekendste compositie is 'Round Midnight, een ballad in mineur die hij al begin jaren veertig schreef. De eerste opname was niet van hemzelf. In 1944 nam het orkest van trompettist Cootie Williams het stuk op, met de jonge Bud Powell aan de piano. Monk nam het pas zelf op op 21 november 1947, voor Blue Note. Dat label had hem kort daarvoor als eerste een plaatcontract gegeven. In zijn eigen versie hoor je hoe de melodie over een reeks akkoorden zweeft die steeds net een andere kant op gaan dan verwacht. Het stuk werd een van de meest gespeelde standards uit de moderne jazz, en de titel past bij het hele tijdperk. Andere composities uit die eerste Blue Note-jaren zijn Ruby, My Dear, Well, You Needn't en Misterioso.

Monk bleef lang een outsider. Critici vonden zijn spel onbeholpen, en het publiek begreep zijn muziek niet. In 1951 raakte hij na een drugsarrestatie zijn cabaret card kwijt. Dat was een vergunning die de politie van New York gaf aan iedereen die werkte in een gelegenheid waar alcohol werd geschonken. Zonder die kaart mocht Monk zes jaar lang niet in de clubs van New York spelen. Pas in 1957 kreeg hij hem terug. Toen speelde hij maandenlang in de Five Spot Café, met een kwartet waarin John Coltrane op tenorsaxofoon zat (zie Take 13). Vanaf dat moment werd hij erkend als een van de grote componisten van de jazz.

Bud Powell werd op 27 september 1924 in Harlem geboren. Monk nam de jonge pianist onder zijn hoede en schreef later voor hem het stuk In Walked Bud. Powell deed op de piano wat Parker op de saxofoon deed. Met zijn rechterhand speelde hij snelle, lange lijnen, als een blazer. Met zijn linkerhand speelde hij korte, spaarzame akkoorden van twee of drie tonen, vaak alleen de grondtoon met de septiem of de terts. Zulke uitgedunde akkoorden heten shell voicings. Ze geven de harmonie aan zonder de bas en de rechterhand in de weg te zitten. Vrijwel elke moderne jazzpianist na hem heeft die manier van spelen geleerd.

In 1951 nam Powell voor Blue Note Un Poco Loco op, met bassist Curly Russell en drummer Max Roach. Het stuk heeft een Spaanse titel ('een beetje gek') en een Latijns ritme, dat Roach op een koebel speelt. Van de opnamesessie zijn drie takes uitgebracht. Daarop is te horen hoe de musici het stuk van poging tot poging verder ontwikkelden. Powells leven was zwaar. In 1945 werd hij in Philadelphia door de politie mishandeld, en daarna werd hij herhaaldelijk opgenomen in psychiatrische ziekenhuizen, waar hij onder meer elektroshocks kreeg. In 1959 verhuisde hij naar Parijs. Daar speelde hij jarenlang in de club Blue Note met drummer Kenny Clarke, die zich al in 1956 in Parijs had gevestigd. Powell overleed in 1966 in New York. De Franse film 'Round Midnight (1986) van Bertrand Tavernier, met saxofonist Dexter Gordon in de hoofdrol, is losjes gebaseerd op zijn jaren in Parijs.

Take 05 · 1945-1957 · Harlem, New York

Mary Lou Williams en de stemmen van de bop

Mary Lou Williams met Milt Orent, Tadd Dameron en Dizzy Gillespie
Mary Lou Williams thuis met Milt Orent, Tadd Dameron en Dizzy Gillespie, 1947

De geschiedenis van bebop wordt vaak verteld als een verhaal van mannen. Maar een van de belangrijkste figuren rond de nieuwe muziek was een vrouw, en ze was ouder dan de meeste bopmusici. Mary Lou Williams werd op 8 mei 1910 in Atlanta geboren en groeide op in Pittsburgh. Als tiener speelde ze al piano in reizende shows. Vanaf 1929 was ze pianiste en arrangeur van de band van Andy Kirk, de Twelve Clouds of Joy, die vanuit Kansas City door het land toerde. Ze schreef stukken als Froggy Bottom en Walkin' and Swingin', en arrangeerde ook voor Benny Goodman en Earl Hines. Voor Duke Ellington schreef ze in 1946 Trumpet No End, een bewerking van Blue Skies van Irving Berlin.

In de jaren veertig woonde ze in Harlem, in de wijk Hamilton Heights. Haar appartement werd een ontmoetingsplek. Monk, Powell, Gillespie, Parker, Miles Davis en de componist Tadd Dameron kwamen er 's nachts na hun werk, om te praten, naar elkaars muziek te luisteren en aan haar piano nieuwe akkoorden uit te proberen. Williams was voor veel van hen een vriendin en een leraar. Ze moedigde hen aan en legde hun ideeën in verband met wat ze zelf in twintig jaar jazz had geleerd. Zo verbond ze de wereld van de swing met die van de bop.

In 1945 schreef ze de Zodiac Suite, een reeks van twaalf korte stukken, één voor elk teken van de dierenriem. Elk deel droeg ze op aan musici die onder dat teken waren geboren, onder wie Billie Holiday en Art Tatum. De suite begint met Aries, de Ram. Ze nam de suite op met een trio, met bassist Al Lucas en drummer Jack Parker, en voerde haar op 31 december 1945 uit in de Town Hall in New York, met een orkest en tenorsaxofonist Ben Webster. De stukken staan tussen jazz en klassieke muziek in. Ze hebben de vrije vorm en de wisselende sfeer van een klassiek karakterstuk, een kort instrumentaal stuk dat één stemming of figuur uitbeeldt, maar met de harmonie en de swing van de jazz. Daarmee liep Williams vooruit op wat musici in de jaren vijftig third stream zouden noemen (zie Take 09). Voor de bigband van Gillespie schreef ze het stuk In the Land of Oo-Bla-Dee, een sprookje in bopstijl, dat de band in 1949 opnam.

In 1954 stopte ze midden in een optreden in Parijs met spelen. Ze keerde terug naar New York, bekeerde zich samen met Lorraine Gillespie, de vrouw van Dizzy, tot het katholicisme, en trok zich drie jaar lang terug uit de muziek. Ook richtte ze de Bel Canto Foundation op en maakte ze van haar appartement een opvang voor musici die probeerden van hun verslaving af te komen. Het was Gillespie die haar overhaalde om weer te gaan spelen. In 1957 trad ze met zijn bigband op op het Newport Jazz Festival (zie Take 12). Later schreef ze missen en religieuze werken in jazzstijl.

De bop had ook zijn zangeressen. Sarah Vaughan werd op 27 maart 1924 in Newark, New Jersey, geboren. In 1942 won ze de amateuravond van het Apollo Theater, en in 1943 nam Earl Hines haar op in zijn bigband, als zangeres en tweede pianiste. Daar zat ze naast Parker en Gillespie, en ze ging met beiden mee naar de band van Billy Eckstine. Vaughan had een groot bereik, van een warm laag register tot een helder hoog, en ze hoorde de harmonie zoals een instrumentalist. Op de sessie van 11 mei 1945 met Gillespie en Parker (zie Take 03) zong ze Lover Man. Ze gaat vrij met de melodie om, zoals een instrumentalist dat zou doen.

Ella Fitzgerald, geboren op 25 april 1917 in Newport News, Virginia, was al sinds de jaren dertig een ster, als zangeres van het orkest van drummer Chick Webb (zie Sessie 1). In 1946 en 1947 trok ze mee met de bigband van Gillespie, en ze trouwde in 1947 met de bassist van die band, Ray Brown. Ze nam de taal van de bop over in haar scat: improvisatie met lettergrepen zonder betekenis, waarin de stem doet wat een saxofoon of trompet doet (zie Mixtape 5). In december 1947 nam ze voor Decca How High the Moon op. Na het gezongen thema volgt een lange scatimprovisatie in snel tempo. De keuze van dit stuk was geen toeval. Ornithology, een van de bekendste stukken van Charlie Parker, is geschreven op de akkoorden van How High the Moon.

Dat er weinig vrouwelijke instrumentalisten in de bop zaten, lag niet aan hun talent. Clubs, platenmaatschappijen en bandleiders gaven vrouwen vooral werk als zangeres of als pianiste. Een uitzondering was de trombonist en arrangeur Melba Liston, geboren in 1926 in Kansas City. Ze speelde vanaf 1948 in de bigband van Gillespie, en ging mee op de tournees die hij in 1956 en 1957 voor het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken maakte. Veel van de arrangementen van die band waren van haar hand.

Take 06 · 1940-1950 · Havana, New York

Cubop

Machito
Machito in het Glen Island Casino bij New York, 1947

In Mixtape 5 komt de samenwerking van Dizzy Gillespie en de Cubaanse congaspeler Chano Pozo aan bod, met het stuk Manteca uit 1947. Maar de verbinding tussen jazz en Cubaanse muziek begon eerder, en de belangrijkste band die haar maakte, was niet die van Gillespie. Het was het orkest van Machito.

Machito heette eigenlijk Francisco Raúl Gutiérrez Grillo. Waar en wanneer hij werd geboren, is niet zeker, maar hij groeide op in Havana. In 1937 kwam hij als zanger naar New York. Zijn zwager Mario Bauzá, geboren in 1911 in Havana, was daar al een bekende musicus. Bauzá was trompettist en muzikaal leider geweest van het orkest van Chick Webb en speelde daarna bij Cab Calloway, waar hij de jonge Dizzy Gillespie binnenhaalde. In 1940 richtten Machito en Bauzá samen een eigen orkest op: Machito and His Afro-Cubans. Machito zong en leidde de band, Bauzá was de muzikaal leider. Later kwam ook Graciela, de pleegzus van Machito, bij de band als zangeres.

Bauzá had een duidelijk idee. Hij wilde de ritmesectie van de Cubaanse dansmuziek, met conga, bongo, timbales en piano, combineren met de blazerssecties en de harmonie van een Amerikaanse jazzband. De Cubaanse ritmes zijn gebouwd op de clave, een vast patroon van vijf slagen over twee maten (zie Mixtape 5). Daarboven herhalen de piano en de blazers korte, ritmische figuren die precies in dat patroon passen. Zo'n figuur heet een guajeo. Het is de motor van de muziek, vergelijkbaar met een riff in de jazz uit Kansas City, maar dan in het ritmische raster van de clave.

Op 29 mei 1943 ontstond tijdens een repetitie in de Park Palace Ballroom in Harlem een stuk van Bauzá dat later Tanga heette. Het wordt vaak het eerste echte Afro-Cubaanse jazzstuk genoemd. De basis is een eenvoudige, steeds herhaalde guajeo van de piano en een vast Cubaans ritme. Daarboven bouwen de blazers lagen op zoals in een jazzbigband, en er is ruimte voor solo's. Tanga werd het herkenningsnummer van de band, en Machito nam het in de jaren daarna verschillende keren op. De nieuwe mengvorm kreeg in New York een eigen naam: Cubop, een samentrekking van 'Cubaans' en 'bebop'.

Via Bauzá kwam ook Gillespie in contact met deze muziek. In 1947 stelde Bauzá hem voor aan Chano Pozo, die net uit Havana was gekomen. Met Pozo in zijn bigband gaf Gillespie op 29 september 1947 een concert in Carnegie Hall, waar Cubana Be, Cubana Bop van George Russell in première ging (zie Mixtape 5). Pozo werd in december 1948 in een bar in Harlem doodgeschoten. Maar het idee was niet meer weg te denken. Ook Charlie Parker speelde met Machito.

In december 1948 nam Parker met het orkest van Machito een paar stukken op voor producer Norman Granz, onder meer Mango Mangue. Je hoort er twee ritmische werelden tegelijk: een Cubaanse ritmesectie en daarboven de bopfrasering van Parker.

De meest uitgewerkte vorm kreeg de Afro-Cubaanse jazz in 1950. Chico O'Farrill, een Cubaanse componist en trompettist die in 1921 in Havana werd geboren, schreef voor het orkest van Machito de Afro-Cuban Jazz Suite. Het is een stuk van zeventien minuten in verschillende delen, met wisselende tempo's en ritmes. Als solisten speelden Charlie Parker, tenorsaxofonist Flip Phillips en drummer Buddy Rich mee. De suite combineert de dansvormen van Cuba met de lange vorm uit de concertmuziek, en is daarmee een voorbeeld van wat jazzmusici in de jaren vijftig op veel manieren zouden proberen: de jazz losmaken van het korte nummer van drie minuten.

In de jaren vijftig werd de Cubaanse dansmuziek in New York een rage. In de Palladium Ballroom op Broadway dansten New Yorkers van alle afkomst de mambo, een snelle dans met felle blazers die uit de Cubaanse danzón was gegroeid. De drie grote orkesten van de Palladium waren die van Machito, Tito Puente en Tito Rodríguez. Daar luisterden ook jazzmusici, en zo bleef de Cubaanse ritmiek een vast onderdeel van de jazz. Uit dezelfde wereld zou in de jaren zestig in New York de salsa voortkomen.

Set 2 · 1948-1960

Cool Jazz

Een nonet in New York, een kwartet zonder piano in Los Angeles en jazz in de concertzaal.

Take 07 · 1941-1950 · New York, Parijs

Een kelder aan 55th Street

Miles Davis
Miles Davis in de Three Deuces, New York, 1947

Drie huizenblokken van de clubs van 52nd Street woonde eind jaren veertig een arrangeur in een kleine kelderwoning aan 55th Street. Hij heette Gil Evans. Evans werd op 13 mei 1912 in Toronto geboren als Ian Ernest Gilmore Green, en groeide op in Californië. Als arrangeur was hij grotendeels zelf opgeleid. Zijn kelder werd een ontmoetingsplek voor jonge musici die na de bop iets anders zochten: baritonsaxofonist Gerry Mulligan, altsaxofonist Lee Konitz, pianist John Lewis, componist George Russell, trompettist Johnny Carisi en de jonge Miles Davis, die toen in het kwintet van Charlie Parker speelde.

Evans had zijn ideeën opgedaan in de bigband van pianist Claude Thornhill. Thornhill werd in 1908 geboren en had al vroeg een eigen orkest, met een klank die geen andere bigband had. Hij liet zijn saxofonisten ook klarinet spelen en zette er twee hoorns en een tuba bij, instrumenten uit het symfonieorkest. De musici speelden zacht en zonder vibrato, het lichte trillen van de toon dat in de swing gebruikelijk was. Thornhills eigen herkenningsmelodie was Snowfall (1941), een rustig stuk met lange, zwevende akkoorden. Evans schreef vanaf 1941 arrangementen voor Thornhill, en na de oorlog bewerkte hij voor diezelfde band ook bopstukken van Parker, zoals Anthropology en Yardbird Suite. Zo leerde hij hoe de snelle lijnen van de bop klonken in een zachte, donkere orkestkleur.

In 1948 wilde Davis die klank naar een kleinere groep brengen. Hij stelde een band van negen musici samen, een nonet. Dat was het kleinste aantal instrumenten waarmee je de harmonieën van de Thornhill-band nog kon spelen. De bezetting was trompet, trombone, hoorn, tuba, altsaxofoon en baritonsaxofoon, met piano, bas en drums. De zes blazers lagen dicht bij elkaar, van hoog naar laag, zodat ze samen één klank konden vormen. In september 1948 speelde het nonet twee weken in de Royal Roost, een club aan Broadway. Davis liet buiten bij de deur zetten wie de arrangementen had geschreven: Gil Evans, Gerry Mulligan en John Lewis. Dat de arrangeurs bij naam werden genoemd, was ongewoon, en het laat zien hoe belangrijk het arrangement in deze muziek was.

Het publiek reageerde welwillend maar gereserveerd. Pete Rugolo, een producer van Capitol Records, zat in de zaal en bood de groep een contract aan. In drie sessies, in januari en april 1949 en in maart 1950, nam het nonet twaalf stukken op. Een daarvan was Boplicity, door Davis en Evans samen geschreven en op de plaat toegeschreven aan 'Cleo Henry', een schuilnaam. Het arrangement is van Evans. De blazers spelen het thema als één zachte massa, met de trompet bovenop. Daarna wisselen solo's van Davis, Mulligan en pianist John Lewis af met uitgeschreven passages, zodat improvisatie en arrangement in elkaar overvloeien. Bij de sessie van 1950 speelde de jonge Gunther Schuller hoorn, een musicus die we in Take 09 terugzien. Capitol was teleurgesteld over de verkoop van de 78-toerenplaten. Pas in 1957 bundelde het label elf van de stukken op een lp met de titel Birth of the Cool. Toen had de Cool Jazz zich al lang verspreid (zie Mixtape 5).

In mei 1949 reisde Davis voor het eerst naar Europa, voor het Festival International de Jazz in Parijs. Hij speelde er met een kwintet samen met pianist en componist Tadd Dameron, en ook Charlie Parker en Kenny Clarke traden op. Davis werd in Parijs behandeld als een kunstenaar en niet als een zwarte muzikant, en hij kreeg er een relatie met de zangeres Juliette Gréco. Hij vertelde later hoe moeilijk het was om daarna terug te keren naar het gesegregeerde Amerika. Veel Amerikaanse jazzmusici zouden in de jaren daarna voor kortere of langere tijd naar Europa verhuizen, zoals Kenny Clarke en Bud Powell (zie Take 04).

Een andere weg naar de Cool Jazz liep via de pianist Lennie Tristano. Hij werd op 19 maart 1919 in Chicago geboren, was vanaf zijn jeugd blind, en verhuisde in 1946 naar New York. Daar werd hij een invloedrijke leraar, met leerlingen als altsaxofonist Lee Konitz en tenorsaxofonist Warne Marsh. Tristano liet zijn leerlingen lange, gelijkmatige lijnen spelen, met weinig vibrato en met onverwachte accenten, en met zijn groep speelde hij ook fuga's van Bach. In mei 1949 nam zijn sextet voor Capitol twee stukken op die nergens op leken: Intuition en Digression. Er was geen thema, geen afgesproken akkoordenschema en geen drummer. Tristano, Konitz, Marsh, gitarist Billy Bauer en bassist Arnold Fishkin improviseerden tegelijk en reageerden op elkaar. Ze gelden als de eerste opnames van vrije improvisatie door een groep, tien jaar voordat Ornette Coleman de free jazz bekend maakte (zie Sessie 3). Capitol bracht Intuition pas eind 1950 uit, Digression zelfs pas in 1954.

Take 08 · 1947-1958 · Los Angeles, San Francisco

Westkust

Dave Brubeck
Dave Brubeck, 1954

Ook in Los Angeles werd in de jaren veertig bebop gespeeld. Langs Central Avenue, de hoofdstraat van de zwarte wijk van de stad, lagen clubs waar tenorsaxofonisten als Dexter Gordon en Wardell Gray urenlange duels uitvochten. Hun opname The Chase (1947) is een vastgelegde versie van zo'n duel. Maar de stijl die later West Coast jazz werd genoemd, kreeg een ander gezicht. De bekendste musici waren wit, ze werkten vaak overdag in de film- en televisiestudio's van Hollywood, en hun muziek werd verspreid door nieuwe, kleine platenlabels uit Californië.

Begin 1952 verhuisde Gerry Mulligan van New York naar Los Angeles. Hij arrangeerde voor de bigband van Stan Kenton en speelde op maandagavond in The Haig, een kleine club aan Wilshire Boulevard. Daar kwam ook een jonge trompettist meejammen: Chet Baker. Baker werd op 23 december 1929 in Yale, Oklahoma, geboren en was grotendeels zelf opgeleid. Mulligan besloot om zonder piano te spelen. Zijn kwartet bestond uit Mulligan op baritonsaxofoon, Baker op trompet, drummer Chico Hamilton en een bassist: bij de eerste opnames Bob Whitlock, daarna Carson Smith.

De opnames van het kwartet verschenen bij Pacific Jazz, een label dat Richard Bock en Roy Harte in 1952 in Los Angeles oprichtten. De eerste sessies vonden plaats in de zomer van 1952. Bernie's Tune, een stuk van Bernie Miller, werd een van de bekendste nummers van de groep. In Mixtape 5 kun je lezen hoe twee melodielijnen zonder piano samen de harmonie suggereren. Hier gaat het om iets anders: om het effect. De opnames van het kwartet verkochten goed, en de optredens in The Haig waren steeds uitverkocht. De jazz uit Los Angeles klonk licht en ontspannen, en dat sprak een jong, wit publiek aan dat bebop te heftig vond.

Zowel Mulligan als Baker was verslaafd aan heroïne. In 1953 werd Mulligan gearresteerd en kwam hij in de gevangenis terecht, en het kwartet viel uit elkaar. Baker begon een eigen groep en werd binnen korte tijd een ster, ook door zijn uiterlijk: hij leek eerder een filmacteur dan een jazzmuzikant. In 1954 verscheen Chet Baker Sings, met songs als But Not for Me van George en Ira Gershwin. Baker zingt met een lichte, hoge stem, zonder vibrato en dicht op de microfoon, en speelt daarna een solo op trompet in dezelfde toon. Zijn zingen was omstreden onder jazzliefhebbers, maar het maakte hem bekend bij een publiek dat niet naar jazz luisterde. Baker toerde in 1955 door Europa en zou er later lange tijd wonen en werken. Hij overleed op 13 mei 1988 in Amsterdam, na een val uit het raam van zijn hotelkamer in Hotel Prins Hendrik, bij het Centraal Station.

Een tweede middelpunt van de westkust lag aan het strand. In de Lighthouse Café in Hermosa Beach, ten zuiden van Los Angeles, organiseerde bassist Howard Rumsey vanaf 1949 jamsessies op zondag, die van de middag tot diep in de nacht duurden. Zijn Lighthouse All-Stars, met onder anderen trompettist Shorty Rogers en drummer Shelly Manne, werden een vaste groep. Veel van deze musici namen op voor Contemporary, het label van producer Lester Koenig.

Op 19 januari 1957 nam de altsaxofonist Art Pepper voor Contemporary een plaat op die liet zien dat oost en west minder ver van elkaar lagen dan de pers beweerde. Pepper werd in 1925 in Gardena bij Los Angeles geboren en had in de bigband van Kenton gespeeld. De ritmesectie van Miles Davis, pianist Red Garland, bassist Paul Chambers en drummer Philly Joe Jones, was toevallig met Davis in Los Angeles. In één dag namen ze samen Art Pepper Meets the Rhythm Section op, met onder meer You'd Be So Nice to Come Home To van Cole Porter. Peppers toon is licht, zoals bij de westkust hoort, maar zijn spel is fel, en de ritmesectie uit New York speelt met de stevige drive van de hard bop (zie Take 10).

Het grootste succes van de Cool Jazz kwam uit San Francisco. Dave Brubeck werd op 6 december 1920 in Concord, Californië, geboren. Hij studeerde compositie bij de Franse componist Darius Milhaud, die in Oakland lesgaf aan Mills College. Milhaud was in de jaren twintig in Parijs een van de componisten van Les Six geweest, en hij moedigde Brubeck aan om fuga's en orkestratie te bestuderen. Eind jaren veertig leidde Brubeck een octet met medestudenten, en vanaf 1951 een kwartet met altsaxofonist Paul Desmond, die een droge, lichte toon had.

Brubeck vond een nieuw publiek op de universiteiten. Het kwartet trok langs colleges en speelde in collegezalen en kerkzalen. In maart 1953 nam het een concert op in de Finney Chapel van Oberlin College in Ohio, dat als Jazz at Oberlin werd uitgebracht. Het concert gold als een doorbraak voor de moderne jazz op de universiteiten. In november 1954 stond Brubeck op de voorkant van het weekblad Time, als tweede jazzmuzikant ooit, na Louis Armstrong in 1949. Brubeck voelde zich daar niet prettig bij: hij vond dat Duke Ellington die eer eerder had verdiend.

In 1958 maakte het kwartet een tournee voor het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, door Europa en Azië, met onder meer concerten in Polen, Turkije, India en Iran. De Amerikaanse regering gebruikte jazz in de Koude Oorlog als visitekaartje: de muziek moest de vrijheid van het Westen laten horen. Voor die tournee nam Brubeck de zwarte bassist Eugene Wright in zijn kwartet op. Toen eigenaren van clubs en zalen in Amerika bezwaar maakten tegen een gemengde band, zegde Brubeck optredens af. De ritmes die hij op zijn reis hoorde, onder meer bij straatmuzikanten in Turkije, verwerkte hij in het album Time Out (1959) (zie Mixtape 5).

Take 09 · 1946-1960 · New York, Waltham, Lenox

Het MJQ en de derde stroom

Percy Heath van het Modern Jazz Quartet
Percy Heath van het Modern Jazz Quartet in Amsterdam, 1959

In de bigband van Dizzy Gillespie zat in 1946 een ritmesectie die tijdens de pauzes van de blazers vaak alleen speelde: pianist John Lewis, vibrafonist Milt Jackson, bassist Ray Brown en drummer Kenny Clarke. Uit die groep groeide in 1952 het Modern Jazz Quartet, met Percy Heath op bas in plaats van Brown. In 1955 nam Connie Kay de plaats van Clarke in. In die bezetting bleef het kwartet tot 1974 bij elkaar.

John Lewis werd op 3 mei 1920 in La Grange, Illinois, geboren en groeide op in Albuquerque, New Mexico. Hij had in Gillespie's bigband gespeeld en gearrangeerd, en hij had piano gespeeld op de opnames van het nonet van Miles Davis. Hij was de muzikaal leider van het MJQ en schreef het grootste deel van het repertoire. Milt Jackson, geboren op 1 januari 1923 in Detroit, speelde vibrafoon: een slaginstrument met metalen staven die je met stokken aanslaat, en met een motor die onder elke staaf een klep laat draaien, zodat de toon zacht trilt. Jackson was een bluesrijk improvisator. Tussen de strakke composities van Lewis en het vrije spel van Jackson ontstond de spanning die het MJQ kenmerkt.

Lewis had belangstelling voor de muziek van de barok, de Europese muziek uit de tijd van Bach. Hij schreef stukken waarin de instrumenten elkaar imiteren, zoals in een fuga: een compositie waarin een kort thema door verschillende stemmen na elkaar wordt ingezet en daarna verder wordt verweven. Zijn stuk Concorde (1955) is zo opgezet. Een andere bron was Europa zelf. In december 1954 nam het kwartet Django op, een stuk dat Lewis schreef ter nagedachtenis aan de gitarist Django Reinhardt, die in mei 1953 was overleden (zie Sessie 1). Het is een langzaam, plechtig thema dat aan een rouwmars doet denken, met daartussen een sneller deel waarin geïmproviseerd wordt.

Het MJQ speelde in smoking, op concertpodia en in concertzalen, en het publiek luisterde stil. Dat beeld van jazz als kamermuziek was nieuw, en het sprak in Europa erg aan. Het kwartet toerde regelmatig door Europa; de foto hierbij is gemaakt bij een concert in Amsterdam in oktober 1959. Lewis schreef in 1957 ook de muziek voor de Franse film Sait-on jamais van Roger Vadim, die het MJQ zelf speelde.

Het idee om jazz en Europese concertmuziek te verbinden, kreeg in deze jaren een naam. Gunther Schuller werd op 22 november 1925 in New York geboren als zoon van een violist van de New York Philharmonic. Hij werd hoornist in het orkest van de Metropolitan Opera en speelde tegelijk in de jazz, onder meer op de opnames van het nonet van Miles Davis in 1950 (zie Take 07). In 1957 noemde hij in een lezing aan Brandeis University in Waltham, bij Boston, de verbinding van jazz en klassieke muziek een third stream, een 'derde stroom' naast de twee grote rivieren van de jazz en de westerse concertmuziek. Het ging hem niet om jazzmusici die met een symfonieorkest spelen, maar om nieuwe muziek waarin improvisatie en compositie, swing en klassieke vormen echt samenkomen.

In juni 1957 gaf het Brandeis Jazz Festival zes componisten de opdracht om een nieuw stuk te schrijven: drie uit de jazz, Charles Mingus, Jimmy Giuffre en George Russell, en drie uit de klassieke muziek, Milton Babbitt, Harold Shapero en Schuller zelf. Het stuk van George Russell was All About Rosie. Russell werd in 1923 in Cincinnati geboren. In 1953 had hij een boek uitgebracht met een eigen muziektheorie, het Lydian Chromatic Concept of Tonal Organization, waarin hij de harmonie van de jazz beschreef vanuit toonladders in plaats van akkoorden. All About Rosie is gebaseerd op een liedje dat kinderen in Alabama bij een spel zingen. Russell werkt het motief uit in drie delen, met de technieken van de concertmuziek, en in het laatste deel speelt de jonge pianist Bill Evans een solo die snel bekend werd. Twee jaar later zou Evans met Miles Davis Kind of Blue opnemen (zie Take 13).

Van 1957 tot 1960 was er in de zomer de Lenox School of Jazz, in het Music Inn in Lenox, Massachusetts. Daar gaven John Lewis, Schuller, Dizzy Gillespie, Max Roach en anderen les aan jonge musici, als een zomerconservatorium voor jazz. In 1959 waren altsaxofonist Ornette Coleman en trompettist Don Cherry er student. Kort daarna zou Coleman met zijn free jazz alle afspraken van de moderne jazz ter discussie stellen (zie Sessie 3).

Set 3 · 1954-1960

Hard en open

Hard bop, het geluid van Blue Note, een festival aan zee en de stap naar modale jazz.

Take 10 · 1954-1958 · New York

De Jazz Messengers

Rita Reys met Pim Jacobs, Ruud Jacobs, Cees See en Wim Overgaauw
Rita Reys in Rotterdam, 1960

Terwijl de Cool Jazz in de pers en op de universiteiten de aandacht trok, zochten veel zwarte musici in New York een andere richting. Ze wilden de harmonie en de techniek van de bop houden, maar terug naar de blues, de gospel uit de kerk en de rhythm-and-blues die in hun eigen buurten klonk. Die stijl kreeg de naam hard bop (zie Mixtape 5). Twee musici stonden aan het begin: drummer Art Blakey en pianist Horace Silver.

Art Blakey werd op 11 oktober 1919 in Pittsburgh geboren. In de jaren veertig speelde hij in de bigband van Billy Eckstine, met Parker, Gillespie en Sarah Vaughan. Eind jaren veertig bekeerde hij zich tot de islam en nam hij de naam Abdullah Ibn Buhaina aan; vrienden bleven hem Bu noemen. Zijn drumspel was luid en dwingend. Hij sloeg de hi-hat hard dicht op tel twee en vier, en bouwde met lange roffels op de snaredrum de spanning op naar het begin van een nieuwe chorus. Die roffel werd zijn handtekening: de press roll.

Horace Silver werd op 2 september 1928 geboren in Norwalk, Connecticut. Zijn vader kwam van de Kaapverdische eilanden, voor de kust van West-Afrika, en speelde thuis de volksmuziek van die eilanden. In 1950 nam saxofonist Stan Getz het trio van de jonge Silver mee op tournee, waarna Silver naar New York verhuisde. Hij speelde piano met een harde aanslag, met korte, bluesachtige motieven en veel herhaling, en hij schreef melodieën die makkelijk te onthouden waren.

In november 1954 en februari 1955 nam Silver voor Blue Note twee sessies op met een kwintet: Kenny Dorham op trompet, Hank Mobley op tenorsaxofoon, Doug Watkins op bas en Blakey op drums. Het album heette Horace Silver and the Jazz Messengers. Een van de stukken was The Preacher. Het thema klinkt als een lied uit een zwarte kerk: een eenvoudige, vrolijke melodie in majeur, door trompet en saxofoon samen gespeeld. Tegenover de ingewikkelde lijnen van de bop was dat bijna uitdagend eenvoudig. Critici noemden deze muziek funky: aards, bluesrijk en met een zware groove. Dat woord zou later een eigen muziekstijl een naam geven. Silver verliet de groep in 1956 om een eigen kwintet te beginnen. Blakey hield de naam Jazz Messengers.

De Jazz Messengers speelden in 1956 ook met een zangeres uit Nederland. Rita Reys werd op 21 december 1924 in Rotterdam geboren. Ze zong in de jaren veertig al in clubs in haar stad en trouwde in 1945 met de drummer Wessel Ilcken, die haar in de jazz introduceerde. Met zijn combo werd ze in Nederland en daarbuiten bekend. In 1956 reisde ze naar New York, waar ze op 3 mei en 25 juni met Art Blakey's Jazz Messengers opnames maakte voor haar elpee The Cool Voice of Rita Reys. De ballad My One and Only Love komt uit de tweede sessie. Een Europese zangeres die in New York met een van de belangrijkste bands van dat moment opnam, was in 1956 bijzonder. In 1957 maakte ze een tweede tournee door Amerika. Kort na haar terugkeer overleed Wessel Ilcken, op 13 juli 1957. Reys werkte daarna vooral met pianist Pim Jacobs, met wie ze trouwde, en werd in de pers 'Europe's First Lady of Jazz' genoemd.

Blakey maakte van de Jazz Messengers een school. Jonge musici kwamen in de band, leerden er het vak en begonnen daarna een eigen groep (zie Mixtape 5). Vaak was een van hen de muzikaal leider, die het repertoire schreef en arrangeerde. In 1958 was dat tenorsaxofonist Benny Golson, die stukken als Blues March en Along Came Betty meebracht. In die bezetting zaten verder de twintigjarige trompettist Lee Morgan, pianist Bobby Timmons en bassist Jymie Merritt.

Op 30 oktober 1958 nam deze groep voor Blue Note het album Moanin' op. Het titelstuk is van Timmons. Het thema is gebouwd op vraag en antwoord, in het Engels call and response: de piano speelt een korte, klagende zin, en de blazers antwoorden met twee akkoorden, als de 'amen' van een gemeente op de woorden van een predikant. Die vorm komt uit de zwarte kerk en uit de werkliederen, en ze vormt een verbinding tussen hard bop, gospel en soul. Na het thema volgen solo's van Morgan, Golson en Timmons, met Blakey die achter elke solist de spanning opbouwt. Moanin' werd een van de bekendste platen van Blue Note. Eind 1958 speelde de groep in het Olympia in Parijs, en net als het MJQ werden de Jazz Messengers in Europa met open armen ontvangen.

Take 11 · 1939-1959 · New York, Hackensack

Blue Note: het geluid en het beeld

Studio van Rudy Van Gelder in Englewood Cliffs
De studio van Rudy Van Gelder in Englewood Cliffs, in gebruik vanaf 1959 (foto 2022)

Veel van de platen uit deze set verschenen op hetzelfde label: Blue Note. Het label werd opgericht door twee mannen uit Berlijn. Alfred Lion werd op 21 april 1908 geboren in Berlijn. Als zestienjarige hoorde hij daar in 1925 de Amerikaanse band van Sam Wooding, en sindsdien verzamelde hij jazzplaten. Eind jaren dertig emigreerde hij naar New York. Op 6 januari 1939 nam hij zijn eerste plaat op, met de boogiewoogiepianisten Albert Ammons en Meade Lux Lewis. Dat was het begin van Blue Note. Kort daarna kwam zijn jeugdvriend Francis Wolff, geboren in 1907 in Berlijn, uit nazi-Duitsland naar New York, en werd zijn compagnon.

Lion en Wolff werkten anders dan de grote platenmaatschappijen. Ze lieten musici vaak een of twee dagen repeteren voor een opnamesessie, en ze betaalden die repetities. Ze kozen musici die ze zelf bewonderden, ook als die nog weinig verkochten, zoals Thelonious Monk in 1947 (zie Take 04). Wolff fotografeerde tijdens de opnames. Zijn zwart-witfoto's van musici aan het werk, geconcentreerd, met een sigaret of een instrument, werden later het materiaal voor de hoezen.

De klank van Blue Note kwam uit een woonkamer. Rudy Van Gelder werd op 2 november 1924 geboren. Hij werkte overdag als optometrist en richtte in het huis van zijn ouders in Hackensack, New Jersey, een opnamestudio in. Vanaf 1953 nam hij vrijwel alle sessies van Blue Note op, en ook veel van de platen van Prestige, een ander jazzlabel uit New York. Van Gelder zette de microfoons dicht bij de instrumenten en zorgde dat elk instrument helder en apart te horen was, ook de bas en de drums, die op oudere jazzplaten vaak wegvielen. Zo'n opnametechnicus bepaalt mee hoe muziek klinkt, ook al staat hij niet op het podium. Pas in juli 1959 verhuisde hij naar een eigen studio in Englewood Cliffs, een gebouw met een hoog houten plafond dat hij speciaal voor opnames liet bouwen.

Van Gelder nam ook buiten zijn studio op. Op 21 februari 1954 nam hij in de club Birdland een avond op van een kwintet van Art Blakey, met Clifford Brown op trompet, Lou Donaldson op altsaxofoon, Horace Silver op piano en Curly Russell op bas. De avond begint met de kleine presentator van de club, Pee Wee Marquette, die de band met hoge stem aankondigt. Het werd de lp A Night at Birdland, met onder meer Split Kick van Silver. Het is een van de eerste opnames waarop je de hard bop hoort ontstaan, nog voordat de Jazz Messengers bestonden.

Het beeld van Blue Note kwam van Reid Miles. Hij werd op 4 juli 1927 in Chicago geboren en werkte in New York als ontwerper voor het tijdschrift Esquire. Rond 1956, toen Blue Note overstapte op de twaalf-inch-lp, vroeg Francis Wolff hem om de hoezen te ontwerpen. Miles werkte met de foto's van Wolff, die hij vaak sterk uitsneed, met grote letters in een paar kleuren en veel lege ruimte. Typografie werd bij hem een deel van het beeld: de titel van een plaat kon over de hele hoes lopen, of met letters van verschillende grootte het ritme van de muziek suggereren. Een bekend voorbeeld is de hoes van Cool Struttin' (1958) van pianist Sonny Clark: een foto van de benen van een vrouw die op hoge hakken over straat loopt, met daarboven de titel. Miles ontwierp in ruim tien jaar zo'n 350 hoezen, en zijn stijl wordt nog altijd nagevolgd door grafisch ontwerpers.

Op 9 maart 1958 nam altsaxofonist Julian 'Cannonball' Adderley voor Blue Note het album Somethin' Else op. Hij werd begeleid door pianist Hank Jones, bassist Sam Jones, Art Blakey, en door Miles Davis, die toen al bij Columbia onder contract stond en hier bij uitzondering als begeleider meespeelde. Het bekendste stuk is Autumn Leaves. Dat is oorspronkelijk een Frans chanson, Les feuilles mortes, met muziek van Joseph Kosma en tekst van Jacques Prévert, uit de film Les portes de la nuit (1946) van Marcel Carné. Davis speelt de melodie met een harmon-demper: een metalen demper die in de beker van de trompet wordt geschoven en de toon dun, dichtbij en een beetje zoemend maakt. Die klank werd zijn handelsmerk. Zo kwam een Parijs filmlied via een New Yorks jazzlabel in het standaardrepertoire van de jazz terecht.

Take 12 · 1954-1959 · Los Angeles, New York, Newport

Brown, Rollins en een festival aan zee

Clifford Brown
Clifford Brown, 1956

Clifford Brown werd op 30 oktober 1930 in Wilmington, Delaware, geboren. Hij was de trompettist op wie de musici van de jaren vijftig hun hoop vestigden. Hij had een warme, ronde toon, een grote techniek en een feilloos gevoel voor melodie, en hij gebruikte, anders dan veel van zijn collega's, geen drugs. In 1954 vormde hij in Los Angeles samen met drummer Max Roach een kwintet. Roach werd in 1924 in North Carolina geboren en groeide op in Brooklyn; hij had met Parker en Gillespie gespeeld en was naast Kenny Clarke een van de belangrijkste drummers van de bop. Roach speelde melodisch, met solo's die als een compositie waren opgebouwd.

In augustus 1954 nam het kwintet, met Harold Land op tenorsaxofoon, voor het label EmArcy Joy Spring op. Brown noemde het stuk naar zijn vrouw, LaRue Anderson, met wie hij in juni van dat jaar was getrouwd. Het thema loopt soepel door verschillende toonsoorten en klinkt zonnig en ontspannen, en Browns solo zit vol lange, logische zinnen. Eind 1955 nam de jonge tenorsaxofonist Sonny Rollins de plaats van Land in. Op 26 juni 1956 reed Brown met pianist Richie Powell, de broer van Bud, en diens vrouw Nancy in de nacht over de Pennsylvania Turnpike. In de regen raakte de auto van de weg. Alle drie kwamen om het leven. Brown was 25 jaar. Benny Golson schreef voor hem de ballad I Remember Clifford, die een standard werd.

Sonny Rollins werd op 7 september 1930 in Harlem geboren. Zijn ouders kwamen van de Maagdeneilanden in de Caraïben: zijn vader van Saint Croix, zijn moeder van Saint Thomas. Rollins groeide op in Sugar Hill, waar ook Coleman Hawkins woonde, en speelde als jonge musicus al met Bud Powell en Thelonious Monk. Vier dagen voor het ongeluk van Brown, op 22 juni 1956, nam hij in de studio van Van Gelder het album Saxophone Colossus op, met pianist Tommy Flanagan, bassist Doug Watkins en Max Roach. Het opent met St. Thomas, een stuk op basis van een Caraïbisch volksliedje dat zijn moeder hem had geleerd, in het ritme van de calypso, de dansmuziek van Trinidad en de andere eilanden. Een ander stuk van het album, Blue 7, werd beroemd door een artikel van Gunther Schuller uit 1958. Schuller liet zien dat Rollins in zijn solo steeds terugkeert naar een kort motief uit het thema en dat motief verandert, uitbreidt en verplaatst, zoals een componist een thema bewerkt. Hij noemde dat thematische improvisatie, in tegenstelling tot improvisatie die vooral de akkoorden volgt.

Rollins zocht in de jaren daarna steeds meer ruimte. Op Way Out West (1957), opgenomen in Los Angeles voor Contemporary, speelt hij alleen met bas en drums, zonder piano, en in november 1957 nam hij in die bezetting een live-album op in de Village Vanguard in New York. In de zomer van 1959 hield hij op met optreden. Hij vond dat hij als musicus vastzat. Bijna elke dag, tot eind 1961, ging hij oefenen op het voetpad van de Williamsburg Bridge, de brug over de East River, om zijn buren niet te storen. Zijn comebackalbum uit 1962 heette The Bridge.

De jazz kreeg in deze jaren ook een nieuw podium: het festival. In 1954 richtte Elaine Lorillard, een rijke inwoner van de badplaats Newport in Rhode Island, samen met haar man Louis een jazzfestival op. Ze huurden George Wein in om het te organiseren, een pianist die in Boston de jazzclub Storyville had. Het eerste Newport Jazz Festival vond in juli 1954 plaats in het Newport Casino, met onder anderen Dizzy Gillespie, Ella Fitzgerald, Gerry Mulligan en Lee Konitz. Jazz in de openlucht, voor duizenden luisteraars tegelijk, was in Amerika nog nieuw. In 1955 speelde Miles Davis er, na jaren van verslaving en weinig werk, 'Round Midnight met Thelonious Monk, Gerry Mulligan en tenorsaxofonist Zoot Sims. Zijn solo maakte zoveel indruk dat Columbia Records hem een contract aanbood. Dat contract zou leiden tot Kind of Blue (zie Take 13).

Het beroemdste moment in de geschiedenis van het festival kwam een jaar later. Op 7 juli 1956 speelde het orkest van Duke Ellington Diminuendo and Crescendo in Blue, een stuk dat Ellington in 1937 had geschreven. Tussen de twee delen liet hij tenorsaxofonist Paul Gonsalves een solo spelen. Gonsalves speelde zevenentwintig chorussen achter elkaar, op het twaalfmaatsschema van de blues, terwijl de ritmesectie hem opzweepte. Het publiek kwam overeind en ging dansen, en de organisatoren waren even bang dat de menigte niet meer te houden zou zijn. Gonsalves had per ongeluk niet in de microfoon van het orkest gespeeld, maar in die van de radiozender Voice of America, en op de oorspronkelijke plaat klinkt zijn solo daarom wat verder weg. Het album Ellington at Newport werd de bestverkochte plaat van Ellington, en in augustus 1956 stond hij op de voorkant van Time. Zijn bigband, die in de eerste helft van de jaren vijftig minder aandacht had gekregen, was ineens weer actueel. Een paar jaar later, in 1958, filmde fotograaf Bert Stern het festival voor zijn documentaire Jazz on a Summer's Day, die het beeld van jazz als zomerse muziek voor een groot publiek verder verspreidde.

Take 13 · 1955-1960 · New York, Parijs, Den Haag

1959: Kind of Blue en Giant Steps

John Coltrane krijgt een Edison in het Concertgebouw
John Coltrane krijgt een Edison in het Concertgebouw, Amsterdam, 1961

Na Newport stelde Miles Davis in 1955 een vast kwintet samen: tenorsaxofonist John Coltrane, pianist Red Garland, bassist Paul Chambers en drummer Philly Joe Jones. Om zijn oude contract bij Prestige af te ronden, nam het kwintet in 1956 in twee lange dagen bij Van Gelder genoeg stukken op voor vier albums: Cookin', Relaxin', Workin' en Steamin'. De stukken werden opgenomen zoals de groep ze in de club speelde, meestal in één take. Coltrane werd geboren op 23 september 1926 in Hamlet, North Carolina, en verhuisde na de middelbare school naar Philadelphia. Hij was een late bloeier, die pas in de groep van Davis een eigen stem vond. In 1957 stuurde Davis hem weg vanwege zijn heroïneverslaving. Coltrane stopte, speelde maanden met Thelonious Monk in de Five Spot (zie Take 04), en kwam in 1958 terug in de band, die nu een sextet was met altsaxofonist Cannonball Adderley erbij.

In december 1957 was Davis in Parijs. Daar nam hij met een kwintet met Franse musici, onder wie pianist René Urtreger en bassist Pierre Michelot, en met Kenny Clarke op drums, de muziek op voor Ascenseur pour l'échafaud, de eerste speelfilm van Louis Malle. De musici improviseerden terwijl de beelden van de film werden vertoond, op korte schetsen van Davis met maar een paar akkoorden. In februari en maart 1958 nam Davis in New York het album Milestones op. Het titelstuk is gebouwd op twee toonladders in plaats van een reeks akkoorden: het eerste en het laatste deel rusten op de ene, het middendeel op de andere. Davis had het over de bebop, met zijn snelle akkoordwisselingen, als een muziek die volgestopt was met akkoorden. Hij zocht iets met minder akkoorden en meer ruimte voor melodie.

Die gedachte werkte hij uit op Kind of Blue, opgenomen op 2 maart en 22 april 1959 in de 30th Street Studio van Columbia in New York, met Coltrane, Adderley, pianist Bill Evans, Paul Chambers en drummer Jimmy Cobb. Op Freddie Freeloader speelt Wynton Kelly piano, die Evans eind 1958 in de vaste band had opgevolgd. Davis bracht alleen schetsen van toonladders en melodieën mee, die hij volgens Evans pas een paar uur voor de opname had uitgewerkt. De basis van de muziek is de modus, een toonladder met een eigen kleur. In So What is dat de dorische toonladder: de toonladder van D tot D op alleen de witte toetsen van de piano. Ze klinkt mineur, maar met een lichtere, open zesde toon. Hoe de vorm van het stuk is opgebouwd, staat in Mixtape 5. Opvallend is ook het begin. Na een vrije inleiding van Evans en Chambers speelt de bas de melodie, en de piano en de blazers antwoorden met een akkoord van twee slagen, alsof ze 'so what' zeggen. Dat akkoord is gestapeld uit kwarten met een grote terts erboven, en wordt sindsdien het So What-akkoord genoemd.

Bill Evans schreef de tekst op de achterkant van de hoes. Hij vergeleek de muziek daarin met een Japanse schildertechniek waarbij de kunstenaar met een dun penseel op dun papier moet werken, zo dat hij niet kan aarzelen of verbeteren. Zo'n tekst, de liner notes, was bij jazzplaten gebruikelijk, maar meestal geschreven door een criticus. Hier legde een van de musici zelf uit wat er gebeurde: dat de groep de stukken niet eerder had gespeeld, en dat juist die spontaniteit het doel was. Evans schreef ook dat telkens de eerste volledige uitvoering op de plaat kwam; uit de sessiebanden blijkt dat dat niet voor elk stuk klopt.

In maart en april 1960 maakte het kwintet van Davis, nu met Coltrane, Wynton Kelly, Chambers en Cobb, een tournee door Europa. Op 9 april speelden ze in het Kurhaus in Scheveningen, Den Haag. Van dat concert is een opname bewaard van So What, die later bij een uitgebreide uitgave van Kind of Blue werd gevoegd. In vergelijking met de studioversie is het tempo hoger, en de solo's zijn langer. Coltrane speelt er stromen snelle noten die de toonladder van alle kanten aftasten (zie Mixtape 5). Het was een van zijn laatste tournees met Davis. Kort daarna begon hij zijn eigen kwartet.

Coltrane ging intussen ook de andere kant op. Op 4 en 5 mei 1959, twee weken na de laatste sessie van Kind of Blue, nam hij voor het label Atlantic zijn album Giant Steps op, met pianist Tommy Flanagan, bassist Paul Chambers en drummer Art Taylor. Het titelstuk is het tegenovergestelde van So What. Waar Davis het aantal akkoorden terugbracht, propte Coltrane er juist zoveel mogelijk in. De akkoorden wisselen vaak om de twee tellen, in een hoog tempo, en ze springen tussen drie toonsoorten die een grote terts van elkaar liggen, B, G en E♭. Die drie toonsoorten verdelen het octaaf in drie gelijke delen. Musici noemen dit schema de Coltrane changes. Nog altijd is Giant Steps een proef voor iedere jazzstudent: wie erover kan improviseren, beheerst de harmonie van de jazz. Op hetzelfde album staat de ballad Naima, genoemd naar zijn vrouw Juanita Naima Grubbs, opgenomen in december 1959 met de ritmesectie van Davis. Het album verscheen in februari 1960.

Het jaar 1959 was het jaar waarin de moderne jazz zijn uitersten bereikte. In die twaalf maanden werden Kind of Blue, Giant Steps, Time Out van Dave Brubeck, Mingus Ah Um van bassist Charles Mingus en The Shape of Jazz to Come van Ornette Coleman opgenomen. Davis had laten horen dat jazz met veel minder akkoorden kon, Coltrane dat je de akkoorden tot het uiterste kon opdrijven. Coleman ging nog een stap verder en liet de vaste akkoorden helemaal los. In de jaren zestig zouden Coltrane, Coleman en een nieuwe generatie musici, in een Amerika vol strijd om burgerrechten, de grenzen van de jazz verleggen tot voorbij alles wat in deze twintig jaar was afgesproken (zie Sessie 3).

Begrippen

Bebop
Moderne jazz uit de jaren veertig: snelle tempo's, rijke akkoorden, kleine combo's.
Jamsessie
Onvoorbereid samenspel van musici, vaak na sluitingstijd in een club.
Cutting session
Jamsessie als wedstrijd, waarin solisten elkaar proberen te overtreffen.
Chorus
Eén keer de volledige vorm van een stuk, de eenheid waarin een solo wordt geteld.
Riff
Kort, herhaald melodisch figuur dat een blazersgroep achter een solist speelt.
Unisono
Twee of meer instrumenten spelen precies dezelfde melodie tegelijk.
Shell voicing
Uitgedund akkoord van twee of drie tonen, meestal grondtoon met terts of septiem.
Scat
Vocale improvisatie met lettergrepen zonder betekenis, zoals een blazer zou spelen.
Guajeo
Herhaald ritmisch figuur van piano of blazers in Cubaanse muziek, passend op de clave.
Cubop
Mengvorm van bebop en Afro-Cubaanse muziek in het New York van de jaren veertig.
Nonet
Groep van negen musici, zoals de band van Miles Davis voor Birth of the Cool.
Vrije improvisatie
Samen improviseren zonder vooraf afgesproken thema, akkoorden of tempo.
Third stream
Schullers term (1957) voor muziek die jazz en Europese concertmuziek verbindt.
Hard bop
Bop met meer blues, gospel en rhythm-and-blues, vanaf het midden van de jaren vijftig.
Vraag en antwoord
Een frase van de ene stem wordt beantwoord door een andere, zoals in de kerk.
Thematische improvisatie
Improviseren door een motief uit het thema steeds te veranderen en uit te werken.
Modus
Toonladder met een eigen kleur, zoals de dorische, als basis voor improvisatie.
Coltrane changes
Akkoordenschema dat snel wisselt tussen toonsoorten die een grote terts uit elkaar liggen.

Verder luisteren en kijken

Foto's: Wikimedia Commons. Platenhoezen: Apple Music.

After Hours · Jazz, een verborgen kant van School of Rock · ArtEZ University of the Arts