After Hours · Sessie 1
De wortels van de jazz: van New Orleans via Chicago en Harlem naar het swingtijdperk, ca. 1895–1945.
Jazz begon in een havenstad. Rond 1900 woonden in New Orleans mensen met Afrikaanse, Franse, Spaanse, Caraïbische, Italiaanse en Ierse wortels dicht op elkaar. De stad had fanfares die door de straten trokken, kerken waar gezongen werd tot de muren trilden, danszalen, cafés, een operahuis en een rosse buurt met piano's in elke salon. Uit al die muziek groeide een nieuwe manier van spelen: losser, ritmischer en vrijer dan alles wat er was. Van de eerste jaren bestaan geen opnames. Wat we weten, komt uit herinneringen van musici, uit foto's en uit platen die later werden gemaakt door mensen die er bij waren.
Vanaf 1917 ging het snel. In dat jaar verscheen de eerste jazzplaat, en in dezelfde tijd trokken honderdduizenden zwarte Amerikanen uit het Zuiden naar de steden in het Noorden. De musici uit New Orleans gingen mee. In Chicago maakte Louis Armstrong van de trompet een solo-instrument, in New York bouwden pianisten in Harlem een eigen stijl en schreef Duke Ellington voor zijn orkest muziek die je nergens anders hoorde. Jazz werd opgenomen, uitgezonden op de radio en verkocht in winkels door het hele land.
In de jaren dertig werd jazz de popmuziek van een generatie. Grote orkesten speelden in balzalen voor duizenden dansers, en zangeressen als Billie Holiday en Ella Fitzgerald gaven de liedjes een stem die je nooit meer vergeet. Ook in Europa vond de muziek een thuis, van Parijs tot Den Haag. De Tweede Wereldoorlog maakte een einde aan dat tijdperk. Toen de grote orkesten na 1945 uiteenvielen, stond in de kleine clubs van New York een nieuwe generatie klaar die jazz opnieuw zou uitvinden.
Set 1 · 1895-1917
Congo Square, brassbands, ragtime, de blues en de eerste jazzplaat.
Take 01 · 1819-1907 · New Orleans

New Orleans ligt aan de monding van de Mississippi. De stad werd in 1718 door de Fransen gesticht, kwam daarna in Spaanse handen en werd in 1803 met de rest van Louisiana door de Verenigde Staten gekocht. Die geschiedenis maakte haar anders dan andere Amerikaanse steden. Ze was katholiek, sprak lang Frans, had een grote groep vrije mensen van kleur en een haven die schepen ontving uit het Caribisch gebied, Europa en de rest van Amerika.
Op zondag kwamen tot slaaf gemaakte Afrikanen bijeen op een open plek net buiten de oude stad. Die plek heet nu Congo Square en hoort bij het Louis Armstrong Park. In 1819 beschreef de architect Benjamin Henry Latrobe in zijn dagboek wat hij daar zag: honderden mensen in kringen, trommels, een snaarinstrument en dansers die op de muziek reageerden. Op veel andere plaatsen in de Verenigde Staten waren trommels voor tot slaaf gemaakten verboden. In New Orleans bleven Afrikaanse muziek en dans tot in de negentiende eeuw in het openbaar te horen en te zien. De bijeenkomsten op Congo Square hielden rond het midden van die eeuw op, lang voordat er jazz bestond. Toch gaat het verhaal van de jazz vaak hier van start, omdat twee dingen die later in de jazz centraal staan hier al te horen waren.
Het eerste is call-and-response: vraag en antwoord. Een voorzanger of instrument zingt of speelt een korte zin, en een groep antwoordt. Je hoort het in werkliederen, in de kerk en later in de jazz, waar een trompet een frase speelt en de saxofoons antwoorden. Het tweede is polyritmiek: verschillende ritmes die tegelijk klinken en tegen elkaar in lopen, zoals in veel West-Afrikaanse trommelmuziek.
Na de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) waren er goedkope blaasinstrumenten in overvloed. In New Orleans had bijna elke vereniging een eigen fanfare, een brassband. Dat waren clubs voor wederzijdse hulp, begrafenisfondsen en buurtverenigingen, die optochten, picknicks en bals organiseerden. Bekende orkesten waren de Excelsior Brass Band en de Onward Brass Band. Ze speelden marsen, hymnes en populaire liedjes, en ze liepen mee in begrafenisstoeten. Op weg naar de begraafplaats klonk een langzame treurmars of een hymne. Na de begrafenis zette de band iets vrolijks in, en de stoet danste terug naar de stad. Achter de band liep een groep mensen mee die niet bij de vereniging hoorde maar gewoon meedanste: de second line. Die gewoonte bestaat in New Orleans nog altijd.
Hoe zo'n brassband klinkt, laat de Eureka Brass Band horen. Het orkest werd rond 1920 opgericht en nam in 1951 een reeks begrafenis- en optochtmuziek op. Dat is ruim een halve eeuw na het begin van de jazz, maar de muzikanten waren opgegroeid in de traditie. De hymne Just a Closer Walk With Thee hoort bij het eerste deel van de begrafenis, de langzame tocht naar de begraafplaats. De melodie is eenvoudig, maar in zulke treurmarsen spelen de blazers haar niet precies samen: elk versiert haar op zijn eigen manier.
Een tweede bron van de jazz was de botsing tussen twee groepen in de stad. De Creolen van kleur waren nakomelingen van Franse of Spaanse vaders en Afrikaanse of Caraïbische moeders. Ze waren vaak handwerkslieden of winkeliers, spraken Frans en lieten hun kinderen klassieke muziek studeren. Veel van hen waren goede klarinettisten die noten konden lezen. In de jaren negentig van de negentiende eeuw voerden de zuidelijke staten strenge rassenwetten in. In 1896 bepaalde het Amerikaanse Hooggerechtshof in de zaak van Homer Plessy, een Creool uit New Orleans, dat gescheiden voorzieningen voor zwart en wit wettig waren. Onder de nieuwe wetten werden de Creolen van kleur als zwart behandeld. Ze verloren hun positie en kwamen in dezelfde bands terecht als de zwarte musici uit de armere wijken boven Canal Street, die op het gehoor speelden en de blues in hun vingers hadden. Uit die ontmoeting van leeskennis en gehoorspel, van Franse klarinetschool en blues, kwam een belangrijk deel van de jazz voort.
De eerste muzikant die met de nieuwe muziek wordt verbonden, is Charles 'Buddy' Bolden. Hij werd in 1877 in New Orleans geboren en speelde kornet, een kleine trompet met een ronde, warme klank. Rond 1895 had hij een eigen band, die speelde op dansavonden in zalen, op picknicks en in de parken van de stad. Tijdgenoten herinnerden zich vooral twee dingen: Bolden speelde ongewoon hard, en hij speelde de blues en ragtime-achtige stukken op een losse, vrije manier. In 1907 werd hij opgenomen in een psychiatrische inrichting in Jackson, Louisiana, waar hij in 1931 overleed. Van zijn muziek bestaat geen enkele opname. Er is maar één foto van zijn band.
Wat Bolden speelde, kennen we dus alleen uit verhalen. Een van zijn nummers leefde voort als lied. Jelly Roll Morton, die als jongen in New Orleans opgroeide, nam het in 1939 op als Buddy Bolden's Blues, met piano en zang. Hij zingt over Bolden en over wat de mensen zich van hem herinnerden. Het is geen opname van Bolden, maar een herinnering van iemand die hem had kunnen horen.
Take 02 · 1897-1917 · Sedalia, St. Louis, New York

Terwijl de brassbands in New Orleans door de straten trokken, kwam in het midden van de Verenigde Staten een andere muziek op: ragtime. Ragtime is in de eerste plaats pianomuziek. Ze werd gespeeld in saloons, danszalen en bordelen, maar ook thuis, in de huiskamer, want rond 1900 stond in veel Amerikaanse huizen een piano. De eerste rags verschenen in 1897 op bladmuziek. In dat jaar publiceerde Tom Turpin uit St. Louis zijn Harlem Rag, de eerste gedrukte rag van een zwarte componist.
Het kenmerk van ragtime is de syncope: een accent dat valt waar je het niet verwacht, tussen de tellen in in plaats van erop. De linkerhand speelt een vaste, regelmatige begeleiding: een basnoot op de eerste tel, een akkoord op de tweede, weer een basnoot, weer een akkoord. De rechterhand speelt daar een melodie overheen die steeds net voor of na de tel valt. Zo ontstaat een spanning tussen de twee handen, alsof de melodie aan het ritme trekt. De vorm van een rag komt uit de mars. Er zijn drie of vier verschillende delen van zestien maten, die elk een eigen melodie hebben. Zo'n deel heet een strain. De strains worden herhaald in een vaste volgorde, bijvoorbeeld AABBACCDD.
De bekendste ragtimecomponist is Scott Joplin. Hij werd rond 1868 geboren in het noordoosten van Texas, als zoon van een vroeger tot slaaf gemaakte vader. Een Duitse muziekleraar gaf hem les in klassieke muziek. Na jaren als rondtrekkend pianist vestigde Joplin zich in Sedalia, Missouri, waar hij speelde in de Maple Leaf Club. In 1899 gaf de plaatselijke muziekuitgever John Stark zijn Maple Leaf Rag uit. Het stuk verkocht in de jaren daarna enorm goed, en Joplin kreeg een deel van de opbrengst per verkocht exemplaar, wat in die tijd bijzonder was.
Joplin zag ragtime als serieuze muziek, die je moest spelen zoals ze op papier stond. Op een aantal van zijn stukken staat een waarschuwing aan de pianist: "It is never right to play 'Ragtime' fast." In 1916, een jaar voor zijn dood, speelde hij een aantal van zijn stukken in op pianorollen. Een pianorol is een rol papier met gaatjes die een pianola, een zelfspelende piano, aanstuurt. De rol legt vast welke toetsen de pianist aansloeg en hoe lang. Van de Maple Leaf Rag maakte hij twee rollen. Hoe nauwkeurig die rollen het spel van Joplin weergeven, is onder kenners overigens een punt van discussie: rollen werden na het inspelen vaak nog bijgewerkt, en Joplin was in 1916 al ernstig ziek.
Joplin wilde meer dan rags schrijven. Hij verhuisde naar St. Louis en later naar New York, en werkte jarenlang aan een opera, Treemonisha, die hij in 1911 zelf uitgaf. Hij vond geen theater dat de opera wilde uitvoeren. Pas in 1972 werd Treemonisha volledig op het toneel gebracht. Joplin overleed in 1917 in New York. Ragtime was toen al uit de mode, en ook vrouwelijke componisten als May Aufderheide uit Indianapolis, die vanaf 1908 rags uitgaf, raakten vergeten.
Ragtime kwam in de jaren zeventig terug. In 1970 nam de Amerikaanse pianist en musicoloog Joshua Rifkin een plaat op met rags van Joplin, gespeeld als klassieke pianomuziek, rustig en precies volgens de noten. De plaat verkocht onverwacht goed. Een paar jaar later gebruikte de film The Sting (1973) Joplins muziek, en The Entertainer uit 1902 werd opnieuw een hit. Luister bij Rifkin naar het tempo. Het is precies wat Joplin vroeg: niet snel, zodat je elke syncope hoort.
Ragtime is geen jazz. Een rag is een uitgeschreven compositie, en de pianist improviseert niet. Maar de syncopen, de marsvorm met strains en het idee dat een vaste begeleiding en een vrije melodie tegen elkaar in lopen, gingen allemaal mee naar de jazz. Pianisten als Jelly Roll Morton speelden de rags van Joplin op hun eigen manier, met meer swing en met eigen versieringen. Daarmee begon de overgang van ragtime naar jazz.
Take 03 · 1903-1929 · Mississippidelta, Memphis, New York

De derde wortel van de jazz is de blues. De blues ontstond op het platteland van het Zuiden, in de jaren na de afschaffing van de slavernij. Zwarte boeren, landarbeiders en rondtrekkende zangers zongen over hun eigen leven: over werk, armoede, liefde, verlies en reizen. Ze begeleidden zich op gitaar, banjo of mondharmonica. De blues heeft wortels in werkliederen, in de roepende zang van landarbeiders op het veld en in de spirituals uit de kerk.
W.C. Handy was een van de eersten die de blues op papier zette. Hij werd in 1873 geboren in Florence, Alabama, en leidde een zwarte fanfare en dansorkest. In zijn autobiografie vertelt hij hoe hij in 1903 op het station van Tutwiler, in de Mississippidelta, een man hoorde zingen terwijl die met een mes over de snaren van zijn gitaar gleed. Handy noemde het de vreemdste muziek die hij ooit had gehoord. Hij begon de liederen die hij onderweg hoorde te bewerken voor zijn orkest en gaf ze uit als bladmuziek. Zijn Memphis Blues verscheen in 1912. Twee jaar later volgde een blues over de stad St. Louis, die een van de meest gespeelde nummers van de eeuw werd.
De blues heeft een vaste vorm. De meest gebruikte is de twaalfmatenblues: twaalf maten met drie akkoorden, op de eerste, vierde en vijfde trap van de toonladder. De tekst volgt vaak het schema AAB. De zanger zingt een regel, herhaalt die, en geeft dan in de derde regel een antwoord of een conclusie. Daarbij gebruiken bluesmusici tonen die net lager liggen dan in de gewone majeurtoonladder, vooral de terts en de septiem. Zulke tonen heten blue notes. Ze klinken ergens tussen majeur en mineur in, en een zanger of blazer kan ze laten buigen.
De eerste blueszangers op de plaat waren geen mannen met een gitaar, maar vrouwen uit het theater. Ze traden op in tentshows en in de zalen van het vaudevillecircuit, met een kleine band achter zich. In augustus 1920 nam Mamie Smith in New York voor het label OKeh het nummer Crazy Blues op. Smith was in 1891 in Cincinnati geboren en was een zangeres en danseres uit de revue. De liedjesschrijver Perry Bradford had OKeh overgehaald haar te laten opnemen.
Crazy Blues was de eerste bluesplaat van een zwarte zangeres, en ze verkocht uitzonderlijk goed, vooral aan een zwart publiek. De platenmaatschappijen ontdekten daarmee een nieuwe markt. Ze gingen speciaal voor zwarte kopers platen uitbrengen in aparte reeksen, die ze race records noemden. Luister ook naar de begeleiding: haar band, de Jazz Hounds, speelt met blazers en viool achter de zang, als een kleine jazzband. In 1921 begon in New York Black Swan, het eerste grote platenlabel dat in zwarte handen was.
Gertrude 'Ma' Rainey werd in 1886 geboren in Columbus, Georgia. Ze stond al sinds het begin van de eeuw op het toneel, in tentshows die door het Zuiden trokken, en werd de 'Mother of the Blues' genoemd. Haar eerste platen nam ze in 1923 op voor het label Paramount, toen ze al ver in de dertig was. Op een bekende foto uit die jaren staat ze met haar band, met daarin Thomas A. Dorsey, die later de vader van de gospelmuziek zou worden.
In oktober 1924 nam Rainey in New York See See Rider Blues op. In haar begeleidingsband speelde een jonge kornettist die net uit Chicago was gekomen: Louis Armstrong. Armstrong vult de ruimte tussen de zinnen van Rainey met korte antwoorden op de kornet. Dat is call-and-response tussen een zangeres en een blazer, zoals je het later nog duizenden keren zou horen.
De grootste blueszangeres van de jaren twintig was Bessie Smith. Ze werd in 1894 geboren in Chattanooga, Tennessee, en had als jong meisje nog in het gezelschap van Ma Rainey gezongen. Vanaf 1923 nam ze op voor Columbia, en haar eerste plaat, Downhearted Blues, verkocht in korte tijd zeer goed. Ze kreeg de bijnaam 'Empress of the Blues'. Bessie Smith had een grote, volle stem die zonder microfoon een theater vulde, en ze zong elke noot met nadruk.
In januari 1925 nam Bessie Smith de St. Louis Blues van W.C. Handy op, opnieuw met Louis Armstrong op kornet. Aan de begeleiding is iets bijzonders: Fred Longshaw speelt geen piano maar harmonium, een klein orgel met een zachte, aanhoudende klank. Daardoor klinkt de opname bijna als kerkmuziek. Luister naar hoe Armstrong de lange tonen van Smith beantwoordt met korte, buigende frasen. In 1929 speelde Bessie Smith in een korte film met dezelfde titel, haar enige filmrol. Ze kwam in 1937 om bij een auto-ongeluk in Mississippi. De blues bleef de basis van de jazz. Een groot deel van alle jazzstukken die na 1920 zijn opgenomen, volgt de twaalfmatenvorm of gebruikt blue notes.
Take 04 · 1897-1919 · New Orleans, Chicago, New York, Londen

Van 1897 tot 1917 had New Orleans een officieel gedoogde rosse buurt, die naar het gemeenteraadslid Sidney Story de naam Storyville kreeg. In de huizen speelden pianisten, die 'professors' werden genoemd. In de cafés en danszalen eromheen speelden kleine bands. Lange tijd werd beweerd dat de jazz in de bordelen van Storyville is geboren. Dat is overdreven. De vroege jazzmusici speelden overal waar muziek nodig was: op begrafenissen, bals, picknicks, in parken, op boten en in de cafés. Maar Storyville bood vaste banen, en veel musici verdienden er een deel van hun inkomen. In november 1917 liet de Amerikaanse marine de buurt sluiten.
Een van de pianisten die in Storyville speelden, was Ferdinand LaMothe, beter bekend als Jelly Roll Morton. Hij werd rond 1890 in New Orleans geboren, in een Creoolse familie. Al als tiener speelde hij in de huizen van Storyville. Daarna trok hij jarenlang door het land, als pianist, componist, biljartspeler en gokker. Morton had een grote mond. Later beweerde hij dat hij de jazz in 1902 had uitgevonden. Dat is niet waar, maar hij was wel een van de eersten die begreep dat jazz gecomponeerd en gearrangeerd kon worden zonder de vrijheid te verliezen. Zijn Jelly Roll Blues verscheen in 1915 in Chicago op bladmuziek, als een van de eerste uitgegeven jazzcomposities.
Morton sprak over de Spanish tinge, de Spaanse kleur die volgens hem in goede jazz niet mocht ontbreken. Hij bedoelde het ritme van de habanera, een dans uit Cuba, met een gepunteerde figuur in de bas. New Orleans had veel contact met Cuba en de rest van het Caribisch gebied, en dat ritme klinkt in een aantal van zijn stukken door.
In 1926 nam Morton in Chicago voor het label Victor een reeks platen op met een band die hij de Red Hot Peppers noemde. De bezetting was die van een klassieke New Orleans-band: kornet, klarinet, trombone, banjo, bas, drums en Morton zelf op piano. Black Bottom Stomp, opgenomen in september 1926, laat zien hoe hij werkte. Het stuk is zorgvuldig opgebouwd, met een afwisseling van passages waarin de hele band samen speelt en korte solo's. Telkens valt de band even stil en vult één instrument de stilte met een kort loopje van twee maten. Zo'n onderbreking heet een break. Een ander middel dat Morton en andere bands uit New Orleans graag gebruikten, is stop-time: de band speelt alleen nog korte akkoorden op vaste momenten, terwijl de solist doorspeelt. In 1938 nam de folkloreonderzoeker Alan Lomax in de Library of Congress urenlange gesprekken met Morton op, waarin hij speelde, zong en vertelde over het New Orleans van zijn jeugd. Morton overleed in 1941 in Los Angeles.
Rond 1915 begonnen musici uit New Orleans de stad te verlaten. Ze speelden op de raderstoomboten die over de Mississippi voeren, ze trokken met theatergezelschappen door het land en ze vonden werk in Chicago en Californië. De eerste band die de nieuwe muziek op de plaat zette, was echter geen zwarte band. De Original Dixieland Jass Band bestond uit vijf witte musici uit New Orleans: Nick LaRocca op kornet, Larry Shields op klarinet, Eddie Edwards op trombone, Henry Ragas op piano en Tony Sbarbaro op drums. Ze speelden in 1916 in Chicago en kwamen in januari 1917 naar New York, waar ze in Reisenweber's Café een groot succes werden.
Op 26 februari 1917 nam de band voor Victor twee nummers op: de Dixie Jass Band One-Step en Livery Stable Blues. De plaat kwam in maart uit en was de eerste uitgebrachte jazzplaat. Ze verkocht zo goed dat ook andere maatschappijen jazzbands gingen opnemen, en de schrijfwijze 'jass' veranderde snel in 'jazz'. Livery Stable Blues klinkt druk en vrolijk, met drie blazers die door elkaar spelen. In het middendeel bootsen de instrumenten dieren uit een stal na: de klarinet kraait als een haan, de kornet hinnikt als een paard en de trombone loeit als een koe. Het publiek vond dat geweldig. Voor jazzhistorici is het een ongemakkelijk begin. De eerste jazzplaat werd gemaakt door witte musici die een zwarte muziek speelden, en LaRocca beweerde later dat zijn band de jazz had uitgevonden. Zwarte bands uit New Orleans kwamen pas in de jaren twintig op de plaat.
Jazz bereikte ook snel Europa. In 1918 speelde de militaire band van het 369e infanterieregiment, een zwart regiment uit New York, onder leiding van James Reese Europe in Frankrijk voor soldaten en burgers. Europe had in 1912 al met zijn Clef Club Orchestra in Carnegie Hall gespeeld. In 1919 speelde de Original Dixieland Jazz Band in Londen, en in hetzelfde jaar trad het Southern Syncopated Orchestra van Will Marion Cook in Engeland op. In dat orkest speelde de jonge klarinettist en sopraansaxofonist Sidney Bechet uit New Orleans. De Zwitserse dirigent Ernest Ansermet schreef na een concert een lovend stuk over hem, een van de eerste serieuze teksten over een jazzmusicus. Bechet keerde later terug naar Europa en woonde vanaf 1950 in Frankrijk, waar hij een grote ster werd.
Set 2 · 1917-1935
Van New Orleans naar Chicago en New York: solisten, stride, Harlem en Ellington.
Take 05 · 1917-1924 · Chicago, Richmond (Indiana)

Vanaf ongeveer 1916 trokken honderdduizenden zwarte Amerikanen uit het Zuiden naar de steden in het Noorden en Midden-Westen. Deze beweging heet de Great Migration. In de fabrieken, slachthuizen en spoorwegen van Chicago, Detroit en New York was werk, en in het Noorden golden geen rassenwetten zoals in het Zuiden, al was er ook daar discriminatie. De zwarte krant Chicago Defender riep zijn lezers in het Zuiden op om te komen. Uit New Orleans reed de trein van de Illinois Central Railroad rechtstreeks naar Chicago.
In de South Side van Chicago groeide in korte tijd een zwarte stad in de stad, met eigen kerken, kranten, winkels en een uitgaansleven. Vanaf 1920 gold in de Verenigde Staten de drooglegging: alcohol was verboden. In Chicago werden de clubs en danszalen daardoor vaak gerund of beschermd door gangsters, maar ze gingen gewoon open, en er was volop werk voor musici. Een groot deel van de beste spelers uit New Orleans woonde rond 1920 in Chicago.
Een van hen was Joe 'King' Oliver. Hij werd rond 1881 bij New Orleans geboren en gold daar als de beste kornettist van de stad. In 1918 vertrok hij naar Chicago. Vanaf 1922 speelde zijn King Oliver's Creole Jazz Band in de Lincoln Gardens, een danszaal in de South Side. In de zomer van dat jaar liet Oliver zijn leerling uit New Orleans overkomen als tweede kornettist: de 21-jarige Louis Armstrong. De twee kornetten speelden samen de breaks, in tweestemmige harmonie, zonder dat het publiek begreep hoe ze dat zo gelijk deden.
De Creole Jazz Band speelde in de stijl van New Orleans. Alle blazers improviseren tegelijk, en elk heeft een eigen rol. De kornet speelt de melodie, de klarinet weeft er hoge, snelle tegenmelodieën omheen, en de trombone speelt lage lijnen en glijdende tonen eronder. Dat heet collectieve improvisatie: niemand staat op de voorgrond, het gaat om het samenspel. In 1923 maakte de band zijn eerste platen, de eerste voor het kleine label Gennett in Richmond, Indiana. Er werd nog akoestisch opgenomen: zonder microfoon, de musici speelden in een grote hoorn die de trillingen direct in de wasplaat kraste. De spelers moesten op verschillende afstanden van die hoorn staan, en de drummer mocht maar een klein deel van zijn slagwerk gebruiken.
Dipper Mouth Blues, een twaalfmatenblues uit april 1923, werd een van de bekendste opnames van de band. De titel verwijst naar de bijnaam van Armstrong, 'Dippermouth'. Het hoogtepunt is de solo van Oliver zelf: drie keer twaalf maten waarin hij met een demper in de beker van zijn kornet speelt en de klank laat open- en dichtgaan. Dat wah-wah-effect klinkt bijna als een menselijke stem. Talloze trompettisten speelden die solo daarna noot voor noot na. Luister ook naar de klarinet van Johnny Dodds, die in de ensemblepassages om de kornet heen kronkelt.
Aan de piano van de Creole Jazz Band zat Lil Hardin. Ze werd in 1898 in Memphis geboren en had muziek gestudeerd aan Fisk University in Nashville. Na de verhuizing van haar familie naar Chicago werkte ze in een muziekwinkel, waar ze bladmuziek voorspeelde voor klanten. Zo kwam ze in de bands van de stad terecht. In 1924 trouwde ze met Louis Armstrong. Ze was degene die hem aanspoorde om weg te gaan bij Oliver, waar hij altijd de tweede man zou blijven, en een eigen weg te zoeken. Dat deed hij: eerst in New York, daarna met zijn eigen platen in Chicago, waarop Lil Hardin piano speelde.
Lil Hardin was ook componist en bandleider. Een van haar composities nam Armstrong in 1927 op, en die werd een standaard (zie Take 06). In de jaren dertig leidde ze eigen orkesten en nam ze voor het label Decca op onder haar eigen naam, als Lil Armstrong and Her Swing Band. Oriental Swing uit 1938 laat haar horen als zangeres en leider van een kleine swingband, vijftien jaar na de opnames van de Creole Jazz Band. Op deze opname zit niet zijzelf maar Frank Froeba aan de piano. Ze bleef haar hele leven optreden en overleed in 1971 in Chicago, aan de piano, tijdens een herdenkingsconcert voor Louis Armstrong.
Take 06 · 1925-1929 · Chicago

Louis Armstrong werd op 4 augustus 1901 in New Orleans geboren, in een van de armste wijken van de stad. Op oudejaarsavond 1912 schoot hij op straat met een pistool in de lucht en werd hij naar een tehuis voor zwarte jongens gestuurd, het Colored Waif's Home. Daar leerde hij kornet spelen in de fanfare. Na zijn vrijlating speelde hij in de bands van New Orleans en op de raderboten van de Mississippi, en in 1922 haalde King Oliver hem naar Chicago. In 1924 vertrok Armstrong naar New York, naar het orkest van Fletcher Henderson, het bekendste zwarte dansorkest van de stad. Daar liet hij de andere musici horen hoe je een solo kon laten swingen (zie Take 10).
In november 1925 was Armstrong terug in Chicago. Het label OKeh liet hem platen maken onder zijn eigen naam, met een band die alleen in de studio bestond: Louis Armstrong and His Hot Five. Naast Armstrong speelden Kid Ory op trombone, Johnny Dodds op klarinet, Johnny St. Cyr op banjo en Lil Hardin Armstrong op piano. Op Lil Hardin na kwamen ze allemaal uit New Orleans en omgeving. In 1927 breidde Armstrong de groep uit met tuba en drums tot de Hot Seven. In drie jaar tijd maakten deze groepen ongeveer zestig platen. Ze worden gezien als de belangrijkste opnames uit de vroege jazz.
Een van de eerste successen was Heebie Jeebies, opgenomen in februari 1926. Midden in het stuk zingt Armstrong geen tekst, maar klanken zonder betekenis: korte lettergrepen die hij als een blaasinstrument gebruikt. Volgens het verhaal dat hij later vertelde, was zijn tekstblad op de grond gevallen en ging hij gewoon door. Of dat klopt, weet niemand. Deze manier van zingen heet scat. Ze bestond al eerder, maar door deze plaat werd ze bekend. Armstrongs zangstem, rauw en warm tegelijk, werd net zo beroemd als zijn trompet.
In de Hot Five-opnames verandert de rol van de solist. In de oude stijl improviseerde de hele band samen. Bij Armstrong wordt de solo het middelpunt: een lange, doorlopende improvisatie van één speler, met een eigen opbouw, een begin, een hoogtepunt en een slot. Armstrong speelde daarbij met een ritmisch gevoel dat de andere spelers niet hadden. Hij plaatste zijn noten soms iets na de tel, soms net ervoor, en verdeelde de achtste noten ongelijk, lang-kort, lang-kort. Dat gevoel van voortdurende beweging heet swing. Het is moeilijk in noten op te schrijven, maar je hoort het meteen.
Struttin' with Some Barbecue, in december 1927 opgenomen, is een compositie van Lil Hardin Armstrong. De melodie is opgebouwd uit gebroken akkoorden, en Armstrong speelt haar met een grote, stralende toon. Zijn solo verderop klinkt als een nieuwe melodie die even sterk is als het thema. Dat is precies wat latere jazzmusici van hem leerden: een improvisatie kan een compositie op zichzelf zijn.
In 1928 nam Armstrong op met een nieuwe groep, waarin de pianist Earl Hines speelde. Hines kwam uit Pittsburgh en speelde piano op een manier die op Armstrongs trompet leek: met octaven en heldere melodielijnen in de rechterhand, die door de band heen sneden. Op 28 juni 1928 namen ze West End Blues op, een blues van King Oliver.
West End Blues begint met een solo van Armstrong zonder begeleiding: een snelle, vrije reeks noten die de hele omvang van de trompet doorloopt, voordat de band invalt met de langzame blues. Zo'n vrije, onbegeleide solo heet een cadens. Verderop zingt Armstrong een scat-duet met de klarinet, en Hines speelt een solo vol snelle loopjes. Aan het eind houdt Armstrong een hoge noot vier maten lang vast. Voor veel jazzmusici en critici is dit de plaat waarmee jazz definitief een kunst voor solisten werd. In 1929 verhuisde Armstrong naar New York. Hij werd een ster in de musical Hot Chocolates, waarin hij Ain't Misbehavin' van Fats Waller zong, en groeide uit tot een van de bekendste entertainers van de wereld.
Take 07 · 1921-1931 · Chicago, Davenport, New York
In de Lincoln Gardens en andere clubs van de South Side stonden in het begin van de jaren twintig ook jonge witte muzikanten te luisteren. Voor hen was de muziek van Oliver en Armstrong een openbaring. Sommigen waren nog scholieren, zoals een groep jongens van de Austin High School in Chicago, met onder anderen de saxofonist Bud Freeman en de kornettist Jimmy McPartland. Om hen heen speelden de gitarist Eddie Condon, de drummer Gene Krupa en een klarinettist die in 1909 in Chicago was geboren: Benny Goodman. Een witte band uit New Orleans, de New Orleans Rhythm Kings, speelde vanaf 1921 in Friar's Inn in het centrum van Chicago. In 1923 nam die band voor Gennett op met Jelly Roll Morton aan de piano, een van de eerste opnamesessies waarin zwarte en witte musici samen speelden.
Uit deze kring kwam een eigen manier van spelen, die later Chicago-stijl werd genoemd. De tenorsaxofoon kreeg een plaats naast de kornet en klarinet, er waren meer solo's, en het geheel klonk gejaagder en nerveuzer dan de muziek uit New Orleans.
De bekendste van deze jonge witte musici was Bix Beiderbecke. Hij werd in 1903 geboren in Davenport, Iowa, een stad aan de Mississippi, in een Duits-Amerikaanse familie. Als jongen hoorde hij de bands op de rivierboten en draaide hij de platen van de Original Dixieland Jazz Band. Hij leerde zichzelf kornet spelen, met een vingerzetting die niemand hem had geleerd. Zijn ouders stuurden hem in 1921 naar een kostschool bij Chicago, maar Bix bracht zijn tijd vooral door in de jazzclubs van de stad. Hij werd van school gestuurd.
In 1924 maakte Beiderbecke zijn eerste platen, met een band van jonge witte musici die zich The Wolverines noemden, naar een stuk van Jelly Roll Morton. Ze namen op bij Gennett in Richmond, Indiana, dezelfde studio waar een jaar eerder King Oliver had opgenomen. In Jazz Me Blues hoor je al de klank waarvoor Bix bekend werd: rond, helder en zonder haast. Waar Armstrong met kracht en vuur speelde, zocht Beiderbecke naar een mooie lijn, met verrassende tonen uit de akkoorden.
Beiderbecke speelde vaak met de saxofonist Frankie Trumbauer, die in 1901 in Illinois was geboren. Trumbauer speelde de C-melodysaxofoon, een saxofoon die tussen de alt en de tenor in ligt en in de jaren twintig populair was. Samen speelden ze in het orkest van Jean Goldkette en vanaf eind 1927 in dat van Paul Whiteman, het grootste en best betaalde dansorkest van Amerika. Whiteman werd in de pers de 'King of Jazz' genoemd. In 1924 had hij in de Aeolian Hall in New York de première gegeven van Rhapsody in Blue van George Gershwin, een stuk voor piano en orkest met invloeden uit de jazz.
In februari 1927 nam Trumbauer met een kleine groep onder zijn eigen naam Singin' the Blues op, met Beiderbecke op kornet en Eddie Lang op gitaar. Het is geen blues, maar een popliedje uit 1920. Trumbauer speelt eerst een solo, daarna volgt Beiderbecke. Zijn solo is rustig, bijna een ballade, met lange zinnen die logisch op elkaar volgen. Hij laat de melodie bijna helemaal los en vindt een nieuwe. De plaat had grote invloed, ook op zwarte musici. De tenorsaxofonist Lester Young zei later dat hij Trumbauer als voorbeeld had genomen (zie Take 11).
Beiderbecke speelde ook piano. Hij luisterde naar de Franse componisten Claude Debussy en Maurice Ravel, en hun klankwereld hoor je terug in zijn pianostuk In a Mist, dat hij in september 1927 zelf opnam. Bix leed aan alcoholisme. Hij werd steeds zieker en overleed in augustus 1931 in New York, op 28-jarige leeftijd. Na zijn dood groeide hij uit tot een legende. Hij was het voorbeeld van de jonge kunstenaar die te vroeg sterft, en een witte jazzmusicus die ook door zwarte collega's als vernieuwer werd erkend.
Take 08 · 1917-1934 · New York, Harlem

Harlem, in het noorden van Manhattan, werd in de eerste jaren van de twintigste eeuw een zwarte wijk. Met de Great Migration kwamen er tienduizenden nieuwe bewoners bij, uit het Zuiden en uit het Caribisch gebied. In de jaren twintig werd Harlem het culturele centrum van zwart Amerika. Schrijvers, dichters, schilders en musici maakten er werk over het zwarte leven en de zwarte geschiedenis. Die beweging heet de Harlem Renaissance. De filosoof Alain Locke bundelde in 1925 teksten van een nieuwe generatie in het boek The New Negro. De dichter Langston Hughes publiceerde in 1926 The Weary Blues, met gedichten die de vorm van de blues volgen. De schrijfster en antropologe Zora Neale Hurston verzamelde volksverhalen en liederen uit het Zuiden.
Muziek was overal. Harlem had theaters, balzalen, nachtclubs en honderden kleine, illegale cafés. Op Broadway werd in 1921 Shuffle Along van Eubie Blake en Noble Sissle een groot succes, een van de eerste musicals die helemaal door zwarte artiesten werden geschreven en gespeeld. In het koor stond de jonge danseres Josephine Baker, die in 1925 naar Parijs vertrok en daar een ster werd. Veel bewoners van Harlem betaalden te veel huur voor te kleine woningen. Om de huur bij elkaar te krijgen, organiseerden ze feesten bij hen thuis, waar gasten entree betaalden. Op zo'n rent party stond een piano, en de beste pianisten van de wijk trokken van feest naar feest.
Op die piano's ontstond een nieuwe stijl: stride. Stride komt voort uit ragtime, maar is sneller, vrijer en geïmproviseerd. De linkerhand springt voortdurend heen en weer tussen een lage basnoot en een akkoord in het midden van de piano. Die grote passen gaven de stijl haar naam: 'to stride' betekent grote stappen nemen. De rechterhand speelt daarboven melodieën, loopjes en variaties. De pianisten daagden elkaar uit in wedstrijden, waarin ze om beurten probeerden de ander te overtreffen met snelheid en vindingrijkheid. Zo'n wedstrijd heet een cutting contest.
De vader van de stride was James P. Johnson. Hij werd in 1894 in New Brunswick, New Jersey, geboren en had klassieke pianoles gehad. Zijn Carolina Shout nam hij in 1921 op de plaat op, nadat hij het al eerder op pianorol had ingespeeld. Het werd het examenstuk voor jonge pianisten in Harlem. De jonge Duke Ellington leerde het stuk naar eigen zeggen door de pianorol langzaam af te spelen en met zijn vingers de neergaande toetsen te volgen. Luister naar de linkerhand van Johnson: die springt onvermoeibaar op en neer, terwijl de rechterhand korte motieven herhaalt en varieert. Johnson schreef ook populaire liedjes, waaronder Charleston, dat in 1923 in een Broadwayshow klonk en een wereldwijde dansrage werd.
Johnson had een leerling die nog bekender werd: Thomas 'Fats' Waller. Waller werd in 1904 in New York geboren als zoon van een lekenprediker en speelde als kind orgel in de kerk. Hij was een virtuoos pianist en organist, schreef hits als Ain't Misbehavin' en Honeysuckle Rose, samen met tekstschrijver Andy Razaf, en was een geboren entertainer, die tijdens het spelen grappen maakte en de teksten van liedjes belachelijk maakte.
Handful of Keys nam Waller in 1929 op als pianosolo. De titel zegt het al: een handvol toetsen. Het is een stride-stuk in hoog tempo, opgebouwd uit korte delen die elk een nieuw idee brengen. Luister hoe de linkerhand de vaart erin houdt en hoe Waller in de rechterhand steeds een nieuwe variatie vindt. Een andere grote pianist uit deze kring was Willie 'The Lion' Smith, die in 1897 werd geboren. Fats Waller overleed in december 1943, tijdens een treinreis bij Kansas City. Uit de stride-traditie kwamen ook Count Basie en Duke Ellington voort, die allebei als stride-pianisten begonnen.
Take 09 · 1923-1935 · New York

Edward Kennedy Ellington werd op 29 april 1899 geboren in Washington, D.C., in een zwart gezin uit de middenklasse. Zijn vrienden noemden hem 'Duke' om zijn nette kleding en zijn beleefde manieren. Hij leerde piano, luisterde naar de stride-pianisten en leidde als jongeman al eigen bands. In 1923 vertrok hij met een paar vrienden uit Washington, onder wie de drummer Sonny Greer, naar New York. Als The Washingtonians speelden ze in de Kentucky Club, een kleine kelderclub aan Broadway.
Ellington was een redelijke pianist, maar zijn eigenlijke instrument was het orkest. Hij schreef niet voor een trompettist of een saxofonist in het algemeen, maar voor de man die naast hem zat, met diens eigen klank. In de jaren twintig was dat vooral de trompettist Bubber Miley. Miley speelde met een plunjerdemper, een rubberen afvoerontstopper die hij voor de beker van zijn trompet hield, en hij bromde of gromde tegelijk in zijn instrument. Zo kreeg zijn toon een rauwe, ruwe rand, de growl. Trombonist Joe 'Tricky Sam' Nanton deed hetzelfde op trombone.
Black and Tan Fantasy, in 1927 opgenomen, is een compositie van Ellington en Miley. Het stuk begint met een langzame blues in mineur, met Miley's grommende trompet op de voorgrond. Aan het eind citeert de band de treurmars uit de tweede pianosonate van Frédéric Chopin. Ellington combineert hier de blues, de begrafenismuziek uit New Orleans en een citaat uit de klassieke muziek in één stuk van drie minuten.
Op 4 december 1927 begon het orkest van Ellington in de Cotton Club, de bekendste nachtclub van Harlem. De club was in handen van de gangster Owney Madden. Alle artiesten waren zwart, maar zwarte bezoekers werden niet binnengelaten: het publiek was wit. De shows hadden een decor van palmbomen en trommels, en speelden in op het beeld van zwarte mensen als exotische 'wilden'. Ellington schreef daarvoor muziek die de reclame jungle style noemde, met growl-trompetten en tomtoms. Hij zat daarmee in een tegenstrijdige positie. De club verspreidde racistische clichés, maar bood hem ook een vast orkest, tijd om te componeren en een podium dat geregeld op de radio werd uitgezonden, door het hele land.
Door die radio-uitzendingen werd Ellington beroemd. Zijn orkest groeide, met spelers die jarenlang bleven: de baritonsaxofonist Harry Carney, de altsaxofonist Johnny Hodges, met zijn zoete, glijdende toon, en de klarinettist Barney Bigard uit New Orleans. In 1927 nam de zangeres Adelaide Hall met het orkest Creole Love Call op, waarin ze zonder woorden zingt, als een extra instrument. Vanaf 1931 zong Ivie Anderson jarenlang bij Ellington.
In 1930 nam Ellington Mood Indigo op. Het thema wordt gespeeld door drie instrumenten: een trompet met demper, een trombone met demper en een klarinet. Normaal speelt de klarinet in zo'n combinatie de hoogste partij. Ellington draaide dat om: de klarinet speelt de laagste stem, diep in haar register, en de trombone speelt juist hoog. Daardoor ontstaat een klank die niemand kende, zacht, donker en een beetje vreemd. Ellington zou vijftig jaar lang zulke klankkleuren blijven zoeken. In 1931 verliet het orkest de Cotton Club. Zijn plaats werd ingenomen door de zanger en bandleider Cab Calloway, die in 1931 een hit had met Minnie the Moocher. Calloway zong daarin klanken als 'hi-de-hi-de-ho' en liet het publiek ze terugzingen: call-and-response als publieksnummer. In 1933 maakte het orkest van Ellington zijn eerste reis naar Europa, met concerten in Engeland en Frankrijk. Daar werd hij ontvangen als een serieuze componist.
Set 3 · 1924-1946
Bigbands, Kansas City, zangeressen en jazz in Europa, tot de oorlog het tijdperk afsloot.
Take 10 · 1924-1938 · New York, Los Angeles

De bands uit New Orleans telden vijf tot acht musici. In de danszalen van New York speelden in de jaren twintig grotere orkesten, met tien tot vijftien man. Het belangrijkste zwarte orkest was dat van Fletcher Henderson. Henderson werd in 1897 geboren in Cuthbert, Georgia, en had scheikunde en wiskunde gestudeerd aan Atlanta University. In 1920 ging hij naar New York om verder te studeren, maar hij kwam in de muziek terecht, eerst bij een muziekuitgeverij en een platenlabel. Vanaf 1924 speelde zijn orkest in de Roseland Ballroom aan Broadway, een danszaal voor een wit publiek.
De arrangeur van het orkest was Don Redman, een saxofonist met een conservatoriumopleiding. Redman vond een manier om een groot orkest te laten swingen. Hij verdeelde de band in groepen: de trompetten, de trombones en de saxofoons. Zo'n groep heet een sectie. De secties speelden tegen elkaar in, in vraag en antwoord, zoals in de kerk of op Congo Square. De saxofoons speelden een melodie, de trompetten antwoordden met korte, harde akkoorden. Redman gebruikte ook riffs: korte, ritmische motieven die vaak herhaald worden, achter een solist of als thema. Zo ontstond de vorm van de bigband. Eind jaren dertig had een bigband meestal drie of vier trompetten, twee of drie trombones, vier of vijf saxofoons en een ritmesectie van piano, gitaar, contrabas en drums. Wat elke sectie speelt, staat in een uitgeschreven arrangement, met ruimte voor solo's.
In 1924 en 1925 speelde Louis Armstrong in het orkest. Zijn solo's veranderden de band: de andere musici hoorden hoe je kon swingen, en de arrangementen werden losser. Een andere ster was de tenorsaxofonist Coleman Hawkins, die tien jaar bij Henderson speelde en de tenorsaxofoon tot een solo-instrument maakte. Later schreef Henderson zelf de arrangementen. Hij was een betere arrangeur dan zakenman, en het orkest raakte rond 1934 in financiële problemen.
Wrappin' It Up, uit 1934, is een arrangement van Henderson zelf en laat zijn stijl goed horen. De saxofoons spelen een soepele, gebonden melodie, de koperblazers antwoorden met korte stoten. Luister naar de momenten waarop de secties elkaar afwisselen: het arrangement laat steeds één groep aan het woord en houdt het geheel daardoor licht, ook al speelt er een groot orkest.
Benny Goodman werd in 1909 in Chicago geboren als zoon van arme Joodse immigranten uit Oost-Europa. Hij leerde klarinet in een synagoge en bij een jeugdorkest, en speelde als tiener al met de jonge Chicagoans. In 1934 stelde hij een eigen bigband samen en kreeg hij een plek in het wekelijkse radioprogramma Let's Dance. Om genoeg goede muziek te hebben, kocht hij arrangementen van Fletcher Henderson. Henderson schreef dus de muziek waarmee Goodman beroemd werd.
De doorbraak kwam op 21 augustus 1935, in de Palomar Ballroom in Los Angeles. Na een tournee met wisselend succes speelde het orkest daar voor een publiek van jongeren, en die reageerden uitzinnig op de snelle swingnummers. Die avond wordt vaak gezien als het begin van het swingtijdperk, de tien jaar waarin bigbandjazz de populairste muziek van Amerika was. Goodman werd de 'King of Swing'. Hij nam in 1935 en 1936 ook op met een trio en een kwartet, met de zwarte pianist Teddy Wilson en vibrafonist Lionel Hampton naast de witte drummer Gene Krupa. Op het podium waren zulke gemengde groepen in die tijd heel ongewoon.
Op 16 januari 1938 speelde het orkest van Goodman in Carnegie Hall in New York, de concertzaal voor klassieke muziek. Het programma bevatte een overzicht van twintig jaar jazz, van de Original Dixieland Jazz Band tot Ellington, en een jamsessie met musici uit de orkesten van Count Basie en Duke Ellington. Het concert werd opgenomen en pas in 1950 op de plaat uitgebracht. Het hoogtepunt aan het eind van het programma was Sing, Sing, Sing, een compositie van Louis Prima. Gene Krupa speelt een doorlopend ritme op de tomtoms, en de band bouwt daarboven riffs op die steeds harder en voller worden. Aan het eind speelt pianist Jess Stacy onverwacht een rustige, vrije solo, die volgens veel luisteraars het mooiste moment van de avond was. Jazz had nu ook de concertzaal bereikt.
Take 11 · 1927-1940 · Kansas City
Kansas City, in Missouri, was in de jaren twintig en dertig een stad met een eigen regel. De politieke baas Tom Pendergast hield de stad in zijn greep, en de drooglegging werd er nauwelijks gehandhaafd. Clubs, danszalen en cafés waren de hele nacht open. In de straten rond 12th Street en 18th Street speelden tientallen bands. Na sluitingstijd kwamen musici bijeen om samen te improviseren in een jamsessie, vaak tot de ochtend.
In het Midden-Westen en het Zuidwesten trokken in die jaren veel orkesten van stad naar stad. Zulke territory bands hadden een vaste regio, waarin ze in danszalen speelden. Het bekendste was het orkest van Bennie Moten uit Kansas City. Moten werd in 1894 geboren en leidde vanaf het begin van de jaren twintig een band die eerst nog in de stijl van ragtime en New Orleans speelde. Rond 1929 en 1930 haalde hij musici over van een ander orkest, de Blue Devils van bassist Walter Page, onder wie een pianist uit New Jersey die in Kansas City was blijven hangen: William 'Count' Basie.
In december 1932, midden in de economische crisis, nam het orkest van Moten in Camden, New Jersey, Moten Swing op. Het stuk is gebouwd op de akkoorden van een popliedje, maar het thema bestaat uit riffs: korte motieven die de saxofoons en het koper herhalen en tegen elkaar in spelen. Luister naar de lichte, gelijkmatige vier tellen in de ritmesectie. De band speelt niet zwaar op één en drie, maar laat alle vier de tellen even licht doorlopen. Dat werd het kenmerk van de jazz uit Kansas City.
Basie werd in 1904 geboren in Red Bank, New Jersey. Hij had in Harlem stride geleerd, onder meer van Fats Waller. Na de dood van Moten in 1935 vormde hij een eigen band in de Reno Club in Kansas City. Een radiozender zond hun optredens 's nachts uit. In 1936 hoorde de New Yorkse producer John Hammond zo'n uitzending, en hij haalde het orkest naar het oosten. Basie speelde piano op een heel andere manier dan zijn leermeesters. In plaats van de stride-linkerhand speelde hij weinig noten, korte, droge akkoorden en kleine motieven op het juiste moment. Hij liet de rest over aan zijn ritmesectie: Freddie Green op gitaar, Walter Page op contrabas en Jo Jones op drums. Jones speelde het doorlopende ritme niet op de grote trom maar op de hi-hat, de twee bekkens die met een pedaal tegen elkaar slaan. Daardoor klonk het ritme lichter en sneller.
One O'Clock Jump, opgenomen in juli 1937, werd de herkenningsmelodie van het orkest. Het is een twaalfmatenblues, en er is nauwelijks een geschreven arrangement. De musici spraken de riffs onderling af en speelden ze uit het hoofd. Zo'n arrangement heet een head arrangement. Het stuk begint met Basie aan de piano, alleen met de ritmesectie, daarna volgen solo's, en achter elke solist zetten de secties een nieuwe riff in. In de band speelde de tenorsaxofonist Lester Young. Young werd in 1909 in Mississippi geboren. Zijn toon was licht en zacht, bijna zwevend, en hij speelde lange, ontspannen lijnen. Dat was het tegendeel van de volle, zware toon van Coleman Hawkins, die toen als het voorbeeld voor elke tenorsaxofonist gold. Billie Holiday gaf hem de bijnaam 'Prez', de president van de saxofonisten.

Een van de belangrijkste musici uit Kansas City was een vrouw. Mary Lou Williams werd in 1910 in Atlanta geboren en groeide op in Pittsburgh, waar ze als kind al in het openbaar piano speelde. Met haar man, de saxofonist John Williams, kwam ze rond 1930 bij het orkest van Andy Kirk, de Twelve Clouds of Joy, dat in Kansas City was gevestigd. Ze werd de pianiste en de belangrijkste arrangeur van de band. Daarnaast schreef ze arrangementen voor andere orkesten, onder meer voor dat van Benny Goodman.
Walkin' and Swingin', uit 1936, is een compositie en arrangement van Williams voor het orkest van Andy Kirk. Luister naar het refrein na het thema, waarin de saxofoonsectie samen een uitgeschreven melodie speelt. Williams verhuisde in 1942 naar New York. Haar appartement in Harlem werd een ontmoetingsplaats voor jonge musici die een nieuwe jazz zochten (zie Sessie 2). In Kansas City groeide in deze jaren een jongen op die naar Lester Young luisterde en de solo's van de saxofonisten uit zijn hoofd leerde: Charlie Parker.
Take 12 · 1933-1945 · New York

In de bigbands van de swingtijd was de zanger of zangeres vaak bijzaak. Hij of zij zong één refrein van het liedje, tussen de stukken voor het orkest in. Twee vrouwen veranderden dat. Ze lieten horen dat een zangeres net zo goed kon improviseren als een saxofonist, en dat de manier waarop je een tekst zingt meer kan zeggen dan de tekst zelf.
Billie Holiday werd in 1915 in Philadelphia geboren als Eleanora Fagan. Ze groeide op in Baltimore, had een zware jeugd en zong als tiener in de clubs van Harlem. Daar hoorde John Hammond haar in 1933. Vanaf 1935 nam ze platen op met de pianist Teddy Wilson. Wilson stelde voor die opnames kleine groepen samen met de beste solisten uit de grote orkesten, en de platen waren vooral bedoeld voor jukeboxen.
What a Little Moonlight Can Do uit 1935 is een van die opnames, met onder anderen Benny Goodman op klarinet en Roy Eldridge op trompet. Het tempo is hoog en de melodie eenvoudig. Holiday zingt de melodie niet zoals ze geschreven is. Ze verschuift woorden naar achteren, maakt noten korter of langer en verandert de toonhoogte, zoals een blazer een thema zou variëren. Ze zei zelf dat ze had geleerd van Louis Armstrong en Bessie Smith. Holiday nam later veel op met Lester Young, en de twee speelden en zongen op een manier die precies bij elkaar paste. In 1937 zong ze bij Count Basie, in 1938 bij het orkest van Artie Shaw. Ze was een van de eerste zwarte zangeressen in een wit orkest, en ze kreeg op tournee in het Zuiden met openlijk racisme te maken.
In 1939 zong Holiday in Café Society, een club in Greenwich Village waar zwart en wit publiek samen zat, een lied dat ze voortaan aan het eind van haar optreden zong: Strange Fruit. De tekst was een gedicht van Abel Meeropol, een leraar uit de Bronx, en gaat over de lynchpartijen in het Zuiden, waar zwarte mensen door witte menigten werden vermoord en aan bomen opgehangen. Haar eigen platenmaatschappij durfde het nummer niet uit te brengen. Het kleine label Commodore nam het in april 1939 op. Holiday zingt het langzaam en zonder nadruk, en juist daardoor komt elk woord hard aan. Het lied geldt als een van de vroegste protestliederen in de Amerikaanse popmuziek. Billie Holiday overleed in 1959 in New York.

Ella Fitzgerald werd in 1917 geboren in Newport News, Virginia, en groeide op in Yonkers, bij New York. Na de dood van haar moeder in 1932 leefde ze een tijd op straat. In november 1934 deed ze mee aan de amateuravond in het Apollo Theater in Harlem. Ze was van plan te dansen, maar zong en won. In 1935 nam de drummer Chick Webb haar op in zijn orkest. Webb leidde de vaste band van de Savoy Ballroom, een balzaal van een heel huizenblok aan Lenox Avenue, waar zwart en wit publiek samen danste. Op de dansvloer van de Savoy ontwikkelden dansers de lindy hop, een snelle dans voor paren met sprongen en worpen. De Savoy hield 'battles of the bands', waarin twee orkesten om beurten speelden en het publiek bepaalde wie won.
In 1938 nam Fitzgerald met het orkest van Webb A-Tisket, A-Tasket op, een bewerking van een kinderversje dat ze samen met arrangeur Van Alexander schreef. Het werd een van de grootste hits van het jaar. Fitzgerald zingt helder, licht en speels, met een volkomen zuivere toon en een ritmegevoel dat de band meetrekt. Webb overleed in 1939. Fitzgerald leidde het orkest daarna nog drie jaar onder haar eigen naam. Haar grootste werk kwam later, als scat-zangeres en als vertolker van de Amerikaanse songbook (zie Sessie 2). Ook andere vrouwen eisten in deze jaren een plaats op. De International Sweethearts of Rhythm, in 1937 opgericht op een school in Mississippi, groeiden in de jaren veertig uit tot een bekende bigband die helemaal uit vrouwen bestond, met zwarte, witte, Aziatische en Latijns-Amerikaanse speelsters.
Take 13 · 1926-1946 · Parijs, Nederland, New York

In de jaren twintig en dertig kwamen steeds meer Amerikaanse jazzmusici naar Europa. Ze vonden er werk, een publiek dat hen als kunstenaars behandelde en minder openlijk racisme dan thuis. Louis Armstrong en Duke Ellington maakten tournees, Coleman Hawkins woonde van 1934 tot 1939 in Europa. In Parijs richtten liefhebbers in 1932 de Hot Club de France op. Hugues Panassié schreef in 1934 een van de eerste boeken over jazz, Le jazz hot, en Charles Delaunay begon in 1935 het tijdschrift Jazz Hot en in 1937 het platenlabel Swing.
De bekendste Europese jazzmusicus van deze tijd was Django Reinhardt. Hij werd in 1910 in Liberchies in België geboren, in een familie van Manouches, zoals de Sinti in Frankrijk heten. Hij groeide op in woonwagenkampen rond Parijs en speelde als jongen banjo en gitaar in de dansgelegenheden van de stad. In 1928 raakte hij zwaar gewond bij een brand in zijn woonwagen. Zijn linkerhand was verbrand, en twee vingers kon hij daarna nauwelijks nog gebruiken. Reinhardt leerde opnieuw gitaar spelen. Voor zijn solo's gebruikte hij voortaan vooral twee vingers van zijn linkerhand.
In 1934 richtte Reinhardt met de violist Stéphane Grappelli het Quintette du Hot Club de France op. De bezetting was ongewoon: viool, solo-gitaar, twee ritmegitaren en contrabas, zonder drums en zonder blazers. De ritmegitaristen sloegen alle vier de tellen kort en stevig aan, een manier van spelen die la pompe heet. Minor Swing, uit 1937, is een compositie van Reinhardt en Grappelli. Het thema is kort, de akkoorden zijn eenvoudig, en daarboven wisselen gitaar en viool elkaar af met snelle, sprankelende solo's. Uit deze muziek groeide een eigen stijl, die nu gypsy jazz of manouche-jazz heet. In 1937 nam Reinhardt in Parijs ook op met Coleman Hawkins en de Amerikaanse saxofonist en arrangeur Benny Carter.

Ook in Nederland werd jazz gespeeld. Het bekendste Nederlandse orkest was The Ramblers, opgericht in september 1926. In de eerste bezetting speelde Theo Uden Masman piano. Hij werd later de leider van het orkest en bleef dat tientallen jaren. The Ramblers speelden in dansgelegenheden, in theaters en op de radio, en ze maakten veel platen. Vanaf 1935 namen ze een reeks platen op met Coleman Hawkins, die toen in Europa werkte. Voor een Nederlands orkest was het een erkenning dat een van de grootste Amerikaanse solisten met hen wilde spelen. De opnames zijn later verzameld op het album The Hawk in Holland.
Een van die opnames is I Only Have Eyes for You, een popliedje uit 1934. Het orkest speelt het arrangement, en Hawkins staat met zijn volle, zware toon op de voorgrond. Hawkins had de tenorsaxofoon in de jaren twintig bij Fletcher Henderson tot een solo-instrument gemaakt (zie Take 10). In oktober 1939 was Hawkins terug in New York. Daar nam hij Body and Soul op, een ballade waarin hij de melodie bijna meteen loslaat en twee refreinen lang improviseert over de akkoorden. Het werd tot ieders verbazing een hit, en het werd een voorbeeld voor elke saxofonist na hem.
In 1939 brak de Tweede Wereldoorlog uit, en in mei en juni 1940 bezette Duitsland Nederland, België en Frankrijk. Voor de nazi's was jazz 'ontaarde' muziek, gemaakt door zwarte en Joodse musici. In Duitsland en in de bezette landen werd jazz aan steeds meer regels gebonden. Engelse titels moesten vaak verdwijnen, en bands gaven bekende stukken een andere naam. In Duitsland werden groepen jongeren die naar swing luisterden en zich Engels kleedden, de Swingjugend, door de Gestapo vervolgd. Toch bleef swing in heel bezet Europa populair, in de danszalen en op de radio.
Grappelli was bij het uitbreken van de oorlog in Londen en bleef daar. Reinhardt ging terug naar Parijs en speelde verder met een nieuwe groep, met de klarinettist Hubert Rostaing in plaats van de viool. In december 1940 namen ze Nuages op, een langzame, melancholieke melodie van Reinhardt. Het stuk werd in het bezette Parijs een enorm succes. Luister naar hoe de klarinet en de gitaar de melodie delen, en hoe Reinhardt met trillende, buigende tonen speelt. Na de oorlog maakte Reinhardt in 1946 een tournee door Amerika met Duke Ellington. Hij overleed in 1953 in Frankrijk.
In de Verenigde Staten veranderde de oorlog het muziekleven ingrijpend. Veel musici werden opgeroepen voor het leger, benzine en autobanden waren op de bon, en tournees met een groot orkest werden bijna onmogelijk. De populairste bandleider van het moment, Glenn Miller, ging in 1942 in militaire dienst en vermaakte daarna met een orkest van de luchtmacht de troepen. Zijn vliegtuig verdween in december 1944 boven het Kanaal. Van augustus 1942 tot in 1944 weigerde de vakbond van musici bovendien om platen op te nemen, uit protest tegen de manier waarop platenmaatschappijen en radiostations met de rechten van musici omgingen. Zangers waren geen lid van die vakbond en konden wel opnemen. Zo werden de zangers de sterren van de popmuziek, en de bigbands verloren hun plek. In de jaren direct na de oorlog hieven veel grote orkesten zich op, of gingen ze verder in een kleinere bezetting.
Ondertussen kwam in de kleine clubs van Harlem een nieuwe generatie musici na sluitingstijd bij elkaar om te jammen. Ze waren opgegroeid met Armstrong, Ellington, Basie en Lester Young, maar ze wilden niet meer spelen voor dansers. Ze speelden snellere tempo's, ingewikkeldere akkoorden en lange, grillige melodieën, voor een publiek dat stil zat en luisterde. Hun muziek kreeg een nieuwe naam: bebop (zie Sessie 2 en Mixtape 5).
Alle fragmenten uit dit hoofdstuk, in de volgorde van de tekst. Scan de code met je telefoon.
After Hours · Sessie 1: Uit New Orleans
De les bij dit hoofdstuk, met beeld en fragmenten.