After Hours · Sessie 3

Vrij spel

Free jazz, spirituele jazz, fusion en de Europese improvisatie: jazz zonder vaste regels, 1959–1985.

In november 1959 stond in de Five Spot Café in New York een altsaxofonist uit Texas op het podium met een plastic saxofoon, een trompettist met een zakformaat-trompet, een bassist en een drummer. Er was geen piano. Het publiek hoorde thema's die als een melodie begonnen, en daarna solo's die zich niet hielden aan het akkoordenschema dat iedere jazzmuzikant sinds de bebop kende. Sommige luisteraars kwamen elke avond terug, andere liepen kwaad weg. De saxofonist heette Ornette Coleman, en de vraag die hij stelde, zou de jazz de volgende kwart eeuw bezighouden: welke regels heb je eigenlijk nodig om samen muziek te maken?

Het antwoord verschilde per plek en per persoon. Voor Max Roach, Abbey Lincoln, Charles Mingus en Nina Simone hoorde muzikale vrijheid bij de strijd van zwarte Amerikanen voor gelijke rechten. Voor John Coltrane, Alice Coltrane en Pharoah Sanders was ze een geestelijke zoektocht. Miles Davis zocht haar in de elektrische klank van rock en funk, en vond een nieuw publiek. In Chicago, New York en Amsterdam richtten muzikanten hun eigen verenigingen en platenlabels op, omdat ze niet langer wilden wachten op clubeigenaren en platenmaatschappijen.

Tegelijk hield jazz op een Amerikaanse muziek te zijn die Europa alleen naspeelde. In München ontstond een label met een eigen klank, in Amsterdam een scene van improvisatoren die humor, theater en marsmuziek in hun spel haalden, in Warschau en Tokio groeiden eigen jazzscenes, en uit Zuid-Afrika en Ethiopië kwamen musici die jazz verbonden met hun eigen tradities. Dit hoofdstuk volgt die wegen tussen 1959 en 1985. Het is de periode waarin jazz voor veel musici minder een stijl werd en meer een manier van werken.

Set 1 · 1959-1973

Vrijheid nu

Free jazz, de burgerrechtenbeweging, A Love Supreme en de collectieven van New York en Chicago.

Take 01 · 1958-1966 · Los Angeles, New York

De vorm van wat komt

Ornette Coleman
Ornette Coleman, 1994

Ornette Coleman werd in 1930 geboren in Fort Worth, Texas. Hij leerde zichzelf altsaxofoon spelen en verdiende zijn eerste geld in rhythm-and-bluesbands die door het zuiden van de Verenigde Staten trokken. Begin jaren vijftig kwam hij in Los Angeles terecht. Overdag werkte hij als liftbediende in een warenhuis, 's avonds probeerde hij mee te spelen op jamsessies. Vaak werd hij van het podium gestuurd. Zijn melodieën volgden de akkoorden niet op de manier die de bebop had vastgelegd, en zijn toon was rauw en klagend, zoals die van een bluesmuzikant.

In Los Angeles vond hij toch medestanders: trompettist Don Cherry, bassist Charlie Haden en de drummers Billy Higgins en Ed Blackwell. Haden was opgegroeid in een familie die op de radio countrymuziek zong, en hij hoorde in Colemans muziek iets wat hij herkende. Voor het label Contemporary maakte Coleman in 1958 en 1959 zijn eerste platen. Pianist John Lewis van het Modern Jazz Quartet hoorde hem en bracht hem in contact met Atlantic Records. In mei 1959 nam het kwartet in Los Angeles The Shape of Jazz to Come op. De titel was een belofte: zo zou jazz gaan klinken.

Om te horen wat er anders is, helpt het om te weten wat er in de bebop gebruikelijk was (zie Sessie 2). Een stuk had een thema en een akkoordenschema: een vaste reeks akkoorden, meestal van twaalf of tweeëndertig maten, die na het thema steeds opnieuw werd herhaald. Elke solist improviseerde over dat schema, de pianist speelde de akkoorden, de bassist liep er in kwartnoten doorheen. In Peace, een langzaam stuk van ruim negen minuten op The Shape of Jazz to Come, is er wel een thema, maar daarna ligt er geen vast schema onder de solo's. Er is geen piano die akkoorden vastlegt. Charlie Haden kiest zijn tonen naar wat Coleman en Cherry spelen, en de solo's duren zo lang als de gedachte van de solist. De muziek is niet chaotisch. Ze is vrij in een andere richting: de melodie bepaalt de harmonie, niet andersom.

Na een zomercursus aan de Lenox School of Jazz in Massachusetts begon het kwartet in november 1959 aan een reeks optredens in de Five Spot Café in New York. Het engagement werd steeds verlengd. Musici en critici kwamen kijken en waren het grondig oneens. John Lewis en de componist Gunther Schuller waren enthousiast, terwijl Miles Davis en andere gevestigde musici zich kritisch uitlieten. Op het volgende album, Change of the Century (1960), staat Ramblin'. Daarin hoor je hoe dicht Coleman bij de blues en de rhythm-and-blues bleef waar hij vandaan kwam.

In december 1960 nam Coleman Free Jazz op, met twee kwartetten tegelijk (zie Mixtape 5). Het woord werd de naam van een hele stroming. Free jazz betekent dat vaste afspraken over akkoorden, vorm, maatsoort en soms ook tempo worden losgelaten. De muzikanten improviseren vaak tegelijk in plaats van om de beurt: collectieve improvisatie, zoals in de vroegste jazz uit New Orleans, maar nu zonder vast schema eronder. Coleman zelf noemde zijn ideeën later harmolodics: een opvatting waarin harmonie, melodie en beweging even belangrijk zijn, en geen instrument alleen maar begeleidt.

Coleman was niet de enige. Pianist Cecil Taylor, in 1929 in New York geboren, had aan het conservatorium in Boston gestudeerd en kende de muziek van Bartók en Stravinsky net zo goed als die van Duke Ellington en Thelonious Monk. Al vanaf het midden van de jaren vijftig speelde hij steeds verder van het akkoordenschema af. Hij gebruikte clusters: trossen van naast elkaar liggende tonen, met de vlakke hand of de onderarm aangeslagen. Hij behandelde de piano als een slaginstrument met tonen. In 1966 nam hij voor Blue Note twee albums op, Unit Structures en Conquistador!. Op Conquistador! spelen trompettist Bill Dixon, altsaxofonist Jimmy Lyons, twee bassisten, Henry Grimes en Alan Silva, en drummer Andrew Cyrille. De muziek gaat in golven: dichte, snelle passages waarin iedereen tegelijk speelt, afgewisseld met stillere momenten.

Take 02 · 1957-1964 · New York, Little Rock, Birmingham

Freedom Now

Abbey Lincoln in het Concertgebouw
Abbey Lincoln in het Concertgebouw, Amsterdam, 1966

De jaren waarin free jazz ontstond, waren de jaren van de burgerrechtenbeweging. In het zuiden van de Verenigde Staten gold nog altijd segregatie: wetten die zwarte en witte Amerikanen gescheiden hielden op school, in de bus, in restaurants en in het stemlokaal. In 1957 stuurde Orval Faubus, de gouverneur van Arkansas, de Nationale Garde naar Central High School in Little Rock om negen zwarte leerlingen de toegang te beletten. President Eisenhower moest soldaten sturen om ze naar binnen te begeleiden. In februari 1960 gingen vier zwarte studenten in Greensboro, North Carolina, aan een lunchbar zitten die alleen voor witte klanten was, en weigerden op te staan. Binnen een paar weken volgden zulke sit-ins in tientallen steden.

Bassist en componist Charles Mingus, in 1922 geboren in Nogales, Arizona, en opgegroeid in Watts, een wijk van Los Angeles, schreef in 1959 een stuk over de gouverneur: Fables of Faubus. Columbia Records nam het op voor het album Mingus Ah Um, maar liet de tekst weg. In oktober 1960 nam Mingus het opnieuw op voor het kleine label Candid, nu als Original Faubus Fables, met tekst. Hij speelde in een kwartet met altsaxofonist Eric Dolphy, trompettist Ted Curson en drummer Dannie Richmond. Mingus en Richmond voeren een spottend vraag-en-antwoordgesprek waarin ze Faubus belachelijk maken. Satire was een van Mingus' sterkste wapens: de muziek lacht de gouverneur uit.

Candid was in 1960 opgericht door Archie Bleyer, de eigenaar van het label Cadence, en werd geleid door de schrijver en jazzcriticus Nat Hentoff. Het label bestond maar ruim een jaar, maar Hentoff gaf musici er de vrijheid om op te nemen wat grote maatschappijen te riskant vonden. Daar verscheen ook het album dat de titel van deze take leverde.

Drummer Max Roach, in 1924 geboren in North Carolina en opgegroeid in Brooklyn, had in de jaren veertig met Charlie Parker de bebop mee vormgegeven. Samen met zanger en tekstschrijver Oscar Brown Jr. werkte hij aan een suite over de geschiedenis van zwarte Amerikanen, bedoeld voor 1963, honderd jaar na de Emancipatieproclamatie die de slavernij in de opstandige zuidelijke staten afschafte. De sit-ins van 1960 maakten het werk urgent, en Roach nam het nog datzelfde jaar op: We Insist! Max Roach's Freedom Now Suite. Op de hoes staat een foto van een sit-in aan een lunchbar. De suite begint bij de slavernij, met Driva' Man, en eindigt in Afrika, met een stuk over het bloedbad van Sharpeville in Zuid-Afrika in maart 1960. Coleman Hawkins, de tenorsaxofonist uit het swingtijdperk (zie Sessie 1), speelt mee, en de Nigeriaanse percussionist Babatunde Olatunji brengt de trommels van West-Afrika in. Het middendeel is Triptych: Prayer, Protest, Peace, een duet van Roach en zangeres Abbey Lincoln. In het eerste deel zingt ze zonder woorden, langzaam en ingetogen. In het tweede deel schreeuwt ze, lang en steeds harder, boven de roffels van Roach. In het derde deel komen stem en drums weer tot rust. Een stem die niet mooi wil klinken: dat was in de jazzzang van 1960 zeldzaam.

Abbey Lincoln werd in 1930 in Chicago geboren als Anna Marie Wooldridge. In de jaren vijftig begon ze als nachtclubzangeres in strakke jurken, met een repertoire van liefdesliedjes. Onder invloed van Roach, met wie ze van 1962 tot 1970 getrouwd was, en van de beweging om haar heen, koos ze een andere weg. Op haar album Straight Ahead (Candid, 1961), met onder anderen Eric Dolphy, Coleman Hawkins en pianist Mal Waldron, zingt ze over trots, onrecht en Afrika. Een recensent van het tijdschrift Down Beat verweet haar dat ze haar huidskleur als beroep gebruikte. Het leidde tot een felle discussie in het blad over de vraag of jazz politiek mocht zijn. Lincoln bleef zingen, schreef haar eigen teksten en trad ook in Europa op, zoals in 1966 in het Concertgebouw in Amsterdam.

Nina Simone in het Hilton in Amsterdam
Nina Simone geeft een interview in het Hilton, Amsterdam, 1965

Nina Simone werd in 1933 in Tryon, North Carolina, geboren als Eunice Waymon. Ze kreeg een klassieke pianoopleiding en wilde concertpianiste worden, maar werd afgewezen door het Curtis Institute in Philadelphia, volgens haar zelf omdat ze zwart was. Ze ging in bars zingen en spelen, en werd bekend met een mengeling van jazz, blues, gospel en klassieke muziek. In 1963 werd in Jackson, Mississippi, de burgerrechtenactivist Medgar Evers vermoord, en in september van dat jaar kwamen bij een bomaanslag op een kerk in Birmingham, Alabama, vier zwarte meisjes om het leven. Simone schreef in korte tijd Mississippi Goddam. In 1964 zong ze het in Carnegie Hall in New York, en de opname verscheen op Nina Simone in Concert. Het lied heeft een snel, opgewekt tempo, als een liedje uit een Broadwaymusical, en dat maakt de tekst nog scherper: de vrolijke vorm staat tegenover woede over moord en uitstel. Simone kondigt het in de opname aan als een showtune waarvoor de show nog niet geschreven is. Het lied werd in een aantal zuidelijke staten geboycot. In maart 1965 zong ze het in Montgomery, op de avond voordat de mars vanuit Selma daar eindigde. Later verliet ze de Verenigde Staten. Ze overleed in 2003 in Frankrijk.

Take 03 · 1963-1967 · Englewood Cliffs, New York

A Love Supreme

John Coltrane op Schiphol
John Coltrane bij aankomst op Schiphol, 1963

John Coltrane, in 1926 geboren in Hamlet, North Carolina, had in 1959 met Kind of Blue en Giant Steps twee kanten van de jazz tot het uiterste gebracht: de modale rust van Miles Davis en het razendsnelle akkoordenspel van zijn eigen composities (zie Sessie 2). Vanaf 1962 speelde hij in een vast kwartet met pianist McCoy Tyner, bassist Jimmy Garrison en drummer Elvin Jones. Hij nam op voor Impulse!, een label dat in 1960 was opgericht en dat met zijn oranje-zwarte hoezen het label van de nieuwe jazz werd. Het kwartet toerde ook door Europa. Op 26 oktober 1963 landde Coltrane met Elvin Jones op Schiphol, voor optredens in Nederland.

Een paar weken eerder, op 15 september 1963, was de bom ontploft in de 16th Street Baptist Church in Birmingham. In november nam Coltrane Alabama op, een klaagzang over de vier meisjes die omkwamen. Het stuk staat op het album Live at Birdland (1964), al werd het in de studio opgenomen. Coltrane speelt een trage, vrije melodie zonder vaste maat, als een gesproken klacht. In het midden zet het kwartet een tempo in, en daarna keert de trage melodie terug. Er wordt geen woord gezongen, maar voor wie wist waarover het ging, was het stuk net zo duidelijk als het lied van Nina Simone.

Op 9 december 1964 ging het kwartet naar de studio van Rudy Van Gelder in Englewood Cliffs, New Jersey. Producer was Bob Thiele van Impulse!. In één avond namen ze A Love Supreme op, een suite in vier delen: Acknowledgement, Resolution, Pursuance en Psalm. In de begeleidende tekst schreef Coltrane dat hij in 1957 een geestelijk ontwaken had beleefd, het jaar waarin hij van zijn heroïneverslaving afkwam. Het album was een dankgebed. Acknowledgement begint met een gong en een fanfare op de saxofoon. Dan zet Jimmy Garrison een motief van vier tonen in op de bas, dat steeds wordt herhaald: een ostinato. Coltrane improviseert erboven, en tegen het eind speelt hij hetzelfde motief van vier tonen in steeds andere toonsoorten, alsof hij het overal wil laten klinken. Daarna zingen de musici het motief zelf, op de woorden 'a love supreme'.

In het laatste deel, Psalm, doet Coltrane iets wat pas jaren later goed werd begrepen. In de hoes van het album staat een gedicht van zijn hand, ook 'A Love Supreme' genoemd. In Psalm speelt hij dat gedicht op de saxofoon: elke lettergreep krijgt een toon, als een voordracht zonder woorden. De muziekhistoricus Lewis Porter heeft dat later regel voor regel aangetoond. Tyner en Jones spelen eronder lange, zwevende akkoorden en roffels op de pauken en bekkens, zonder vaste puls. Coltrane noemde dit deel een 'muzikale voordracht'. A Love Supreme werd een van de best verkochte albums van Impulse! en een van de bekendste jazzplaten ooit.

Coltrane bleef niet staan. In juni 1965 nam hij Ascension op, met elf musici, onder wie de saxofonisten Pharoah Sanders, Archie Shepp, Marion Brown en de Deen John Tchicai, en trompettist Freddie Hubbard. Het stuk duurt ongeveer veertig minuten. Korte, geschreven motieven wisselen af met lange passages van collectieve improvisatie, waarin alle blazers tegelijk spelen, en met solo's. Het was de grootste stap van Coltrane naar de free jazz. Tyner en Jones voelden zich in die muziek steeds minder thuis en verlieten rond de jaarwisseling van 1965 op 1966 de groep. Hun plaats werd ingenomen door drummer Rashied Ali en door pianiste Alice Coltrane, Johns tweede vrouw. Coltrane overleed op 17 juli 1967 aan leverkanker. Hij was veertig.

Take 04 · 1965-1975 · New York, Los Angeles

Na Coltrane: Alice en Pharoah

Alice Coltrane
Alice Coltrane, 1972

Na de dood van John Coltrane gingen twee musici uit zijn laatste band verder op de weg die hij was ingeslagen. Saxofonist Pharoah Sanders werd in 1940 geboren in Little Rock, Arkansas, als Farrell Sanders. Begin jaren zestig kwam hij naar New York, waar hij een tijd zo arm was dat hij soms op straat sliep. Sun Ra, in wiens band hij een tijd speelde, gaf hem de naam Pharoah. Vanaf 1965 speelde hij naast Coltrane. Zijn toon was een van de felste in de jazz: hij blies zo hard dat de saxofoon overblaasde en boventonen gaf die schreeuwen en piepen. Maar Sanders kon ook heel zacht en zangerig spelen, en juist die twee uitersten naast elkaar werden zijn handelsmerk.

In 1969 nam Sanders voor Impulse! het album Karma op. Bijna de hele plaat wordt gevuld door één stuk van ruim tweeëndertig minuten: The Creator Has a Master Plan, geschreven met zanger Leon Thomas. Het begint met een rustige inleiding en gaat over in een eenvoudige, steeds herhaalde baslijn. Daarboven zingt Thomas een korte, opgewekte melodie over vrede en geloof, afgewisseld met een jodeltechniek die zijn handelsmerk werd. In het middendeel barst de muziek los: saxofoon, piano en percussie spelen vrij en luid door elkaar, tot het rustige thema terugkeert. Lange stukken op één akkoord of één baslijn, een gebed als tekst, instrumenten uit Afrika en Azië: zo ontstond wat later spiritual jazz werd genoemd, jazz die zich richt op meditatie, geloof en verbondenheid.

Alice Coltrane werd in 1937 in Detroit geboren als Alice McLeod. Ze leerde als kind piano spelen, kreeg klassieke lessen en speelde orgel in de kerk. In de jaren vijftig speelde ze in jazzgroepen in Detroit, en ze ging naar Parijs, waar ze les nam bij bebop-pianist Bud Powell. Begin jaren zestig speelde ze in het kwartet van vibrafonist Terry Gibbs. In die tijd leerde ze John Coltrane kennen. Ze trouwden, en ze kregen drie kinderen; een van hen is saxofonist Ravi Coltrane. Na de dood van haar man ging ze naast piano en orgel ook harp spelen. Ze gebruikte de harp niet als lieflijke versiering, maar als een instrument dat golven van klank maakt, met snelle glissando's over alle snaren.

In 1970 nam ze Ptah, the El Daoud op, met de saxofonisten Pharoah Sanders en Joe Henderson, bassist Ron Carter en drummer Ben Riley. Ptah is de Egyptische god van de scheppers en ambachtslieden. Het titelstuk is een lange, modale compositie waarin de twee tenorsaxofonisten elk een eigen stereokanaal hebben. Alice Coltrane speelt piano, en in andere stukken van het album harp.

Voor Journey in Satchidananda (1971) verving ze de vaste akkoordenpartij door een drone of bourdon: een toon die het hele stuk door blijft klinken. Die drone komt van de tanpura, een Indiaas snaarinstrument met een lange hals dat in de klassieke muziek van India de grondtoon vasthoudt. Bassist Cecil McBee speelt een kort, steeds herhaald motief, en daarboven spelen Sanders op sopraansaxofoon en Coltrane op harp. Swami Satchidananda was de Indiase leraar bij wie Alice Coltrane in die jaren in de leer was. De muziek klinkt als een reis zonder haast: geen thema met solo's erna, maar een stroom die langzaam verandert.

Alice Coltrane trok zich daarna steeds meer terug uit de muziekindustrie. In 1975 richtte ze in Californië een Vedantisch centrum op, later een ashram in de buurt van Los Angeles, waar ze onder de naam Turiyasangitananda lesgaf en religieuze muziek maakte met haar gemeenschap. Lang werd ze vooral gezien als 'de vrouw van'. Na haar dood in 2007 werd haar muziek opnieuw ontdekt, door een generatie die haar werk via samples en heruitgaven leerde kennen.

Take 05 · 1964-1973 · New York

Carla Bley en de componisten van het vrije

Carla Bley dirigeert haar band
Carla Bley dirigeert haar band op Pori Jazz, Finland, 1978

Free jazz bracht een praktisch probleem met zich mee: wie zou deze muziek laten horen? Clubs verdienden aan drankjes, en grote platenmaatschappijen zagen er geen markt in. In oktober 1964 organiseerde trompettist Bill Dixon in New York een reeks concerten die hij de October Revolution in Jazz noemde. Er speelden tientallen jonge musici, en er kwam veel publiek op af. Kort daarna richtten Dixon en anderen de Jazz Composers Guild op, een vereniging van musici die zelf hun concerten wilden organiseren en betere voorwaarden wilden afdwingen. De Guild hield het maar kort vol, maar het idee bleef: muzikanten moesten de zaken in eigen hand nemen.

Een van de leden was Carla Bley. Ze werd in 1936 in Oakland, Californië, geboren als Lovella May Borg. Haar vader was kerkmusicus en pianoleraar. Als tiener vertrok ze naar New York, waar ze sigaretten verkocht in de jazzclub Birdland om de musici te kunnen horen. Ze trouwde met pianist Paul Bley, die haar composities begon te spelen. Al snel speelden ook anderen haar stukken: haar melodieën waren eenvoudig en vreemd tegelijk, vaak met een droog gevoel voor humor. Met trompettist Michael Mantler, met wie ze later trouwde, leidde ze het Jazz Composer's Orchestra, een groot orkest dat nieuw werk van componisten uit de vrije jazz uitvoerde, met een stichting erachter die de opnamen uitbracht.

In 1969 nam bassist Charlie Haden, die je in take 01 bij Ornette Coleman tegenkwam, een album op met een groot ensemble dat hij het Liberation Music Orchestra noemde. Carla Bley schreef de arrangementen. Het album verscheen in 1970 bij Impulse!. Haden gebruikte liederen uit de Spaanse Burgeroorlog van de jaren dertig, het lied We Shall Overcome van de burgerrechtenbeweging en eigen stukken over de politiek van zijn tijd, zoals Song for Ché, over de revolutionair Ernesto 'Che' Guevara, en Circus '68 '69, over de onrust rond de conventie van de Democratische Partij in Chicago in 1968. Onder de musici waren Don Cherry, de Argentijnse saxofonist Gato Barbieri, saxofonist Dewey Redman, trombonist Roswell Rudd en drummer Paul Motian. Bley maakte van oude strijdliederen en nieuwe stukken een geheel waarin fanfare, vrije improvisatie en ingetogen melodie elkaar afwisselen. Het is protestmuziek, grotendeels zonder woorden.

Tegelijk werkte Bley aan haar grootste project: Escalator Over the Hill, op teksten van de dichter Paul Haines. Ze nam het tussen 1968 en 1971 op, met steeds andere bezettingen, en het verscheen in 1971 als album van drie lp's. Bley noemde het een chronotransduction, een woord dat ze zelf bedacht. Het is een soort opera zonder toneel, die zich afspeelt in een oud hotel en waarin jazzorkest, rockband, Indiaas aandoende muziek en theaterliedjes elkaar afwisselen. Bassist en zanger Jack Bruce van de rockband Cream zingt mee, net als Linda Ronstadt en jazzzangeres Jeanne Lee, en ook Don Cherry, Gato Barbieri en gitarist John McLaughlin spelen mee. De Hotel Overture opent het werk zoals een ouverture een opera opent.

Om zulke muziek uit te brengen, richtten Bley en Mantler in 1973 hun eigen label op, WATT, en ze hielpen een organisatie opzetten die platen van kleine, onafhankelijke labels verspreidde. Het was hetzelfde idee als dat van Dixon in 1964: als niemand je muziek wil uitbrengen, doe je het zelf. Carla Bley bleef tot haar dood in 2023 componeren en een eigen band leiden. In een jazzwereld waarin vrouwen vooral als zangeres op het podium stonden, was zij een van de weinigen die als componist, arrangeur en orkestleider de toon zette.

Take 06 · 1952-1973 · Chicago, Philadelphia, Parijs

Van Saturnus naar de South Side

Sun Ra achter een orgel
Sun Ra, 1973

Herman Blount werd in 1914 geboren in Birmingham, Alabama. Hij was een begaafd pianist en arrangeur en werkte eind jaren veertig in Chicago voor bandleider Fletcher Henderson (zie Sessie 1). Begin jaren vijftig nam hij een nieuwe naam aan: Sun Ra, naar de Egyptische zonnegod. Hij vertelde dat hij niet van de aarde kwam maar van Saturnus, en hij hield dat verhaal zijn hele leven vol. Zijn band noemde hij het Arkestra. De saxofonisten John Gilmore, Marshall Allen en Pat Patrick speelden er tientallen jaren in. De musici woonden en repeteerden samen, eerst in Chicago, vanaf 1961 in New York en vanaf eind jaren zestig in een huis in Philadelphia.

Sun Ra combineerde bigbandmuziek uit de traditie van Henderson en Ellington met vrije improvisatie, Afrikaanse percussie en al heel vroeg elektronische klanken: elektrische piano, orgel en later de Moog-synthesizer. Concerten waren voorstellingen, met glinsterende kostuums, dans en lichtshows. Hij bracht zijn platen vaak uit op zijn eigen label, El Saturn, in kleine oplagen en soms met met de hand beschilderde hoezen. In 1972 maakte hij de film Space Is the Place, waarin hij als Sun Ra naar de aarde komt om zwarte Amerikanen mee te nemen naar een nieuwe planeet. Het album met dezelfde titel verscheen in 1973. In het titelstuk zingen de band en zangeres June Tyson steeds dezelfde korte regel, terwijl blazers en synthesizer er vrij omheen spelen. Het idee om de toekomst, de ruimte en de Afrikaanse geschiedenis met elkaar te verbinden, werd later afrofuturisme genoemd.

In mei 1965 richtten musici in de South Side van Chicago de Association for the Advancement of Creative Musicians op, kortweg de AACM. De oprichters waren pianist Muhal Richard Abrams, pianist Jodie Christian, drummer Steve McCall en trompettist Phil Cohran. Abrams leidde al sinds begin jaren zestig een Experimental Band, waarin jonge musici eigen werk konden uitproberen. De AACM was een vereniging zonder winstoogmerk. De leden organiseerden zelf concerten, gaven muziekles aan kinderen uit de buurt en spraken af dat ze vooral eigen, nieuwe muziek zouden spelen. Onder de leden waren de saxofonisten Roscoe Mitchell, Joseph Jarman, Anthony Braxton en Henry Threadgill, violist Leroy Jenkins, de trompettisten Lester Bowie en Wadada Leo Smith, en pianiste en organiste Amina Claudine Myers.

Een van de eerste albums van AACM-musici was Sound (1966) van het Roscoe Mitchell Sextet, voor het Chicagose label Delmark. De titel was een programma. Het ging Mitchell niet om akkoorden en solo's, maar om klank: stiltes, losse tonen, kleine instrumenten en plotselinge uitbarstingen. In 1969 nam Anthony Braxton For Alto op, een dubbelalbum met alleen zijn eigen altsaxofoon, zonder begeleiding. Het geldt als het eerste jazzalbum met alleen solosaxofoon.

Art Ensemble of Chicago in Moers
Art Ensemble of Chicago op het festival van Moers, 1978: Lester Bowie, Don Moye en Roscoe Mitchell

In 1969 vertrokken Roscoe Mitchell, Lester Bowie, Joseph Jarman en bassist Malachi Favors naar Parijs. Daar gingen ze verder als Art Ensemble of Chicago, en daar kwam drummer Famoudou Don Moye erbij. In Frankrijk vonden ze wat ze in Amerika misten: concerten, opnamen en een publiek. Op het podium stonden tafels vol instrumenten: saxofoons en trompetten, maar ook gongs, bellen, sirenes, fluitjes en trommels uit Afrika, die de groep kleine instrumenten noemde. Jarman, Favors en Moye traden op met beschilderde gezichten, Bowie in een witte doktersjas. Hun motto werd Great Black Music – Ancient to the Future: alle zwarte muziek, van Afrikaanse trommels tot blues, gospel, bebop en free jazz, als één geheel. In 1970 maakten ze in Parijs de muziek voor de film Les Stances à Sophie. In Thème de Yoyo zingt Fontella Bass, de vrouw van Lester Bowie, die in 1965 een soulhit had gehad met Rescue Me. Een strakke funkgroove en een soulstem staan naast vrije improvisatie: voor het Art Ensemble hoorde dat allemaal bij elkaar. In 1971 keerde de groep terug naar Amerika.

Set 2 · 1968-1983

Stroom erop

Miles Davis gaat elektrisch, en zijn musici bouwen de fusion: van Bitches Brew tot Rockit.

Take 07 · 1968-1970 · New York

Miles zet de stekker erin

Miles Davis met zijn septet
Miles Davis met zijn septet, 1971

Terwijl de free jazz een klein publiek vond, zocht Miles Davis de andere kant op. Hij was in 1926 geboren in Alton, Illinois, en had sinds de bebop bij elke grote verandering in de jazz vooraan gestaan (zie Sessie 2). Van 1964 tot 1968 leidde hij een kwintet met saxofonist Wayne Shorter, pianist Herbie Hancock, bassist Ron Carter en drummer Tony Williams. Die groep speelde vrijer dan ooit, maar bleef binnen de vormen van de akoestische jazz. Davis luisterde intussen naar James Brown, Sly and the Family Stone en Jimi Hendrix. Hij zag dat de jongeren die vroeger jazz kochten, nu naar rock- en soulconcerten gingen. Vanaf 1968 liet hij Hancock elektrische piano spelen, en de baspartijen werden korter en herhalender, als in funk.

Op 18 februari 1969 nam hij in de studio van Columbia in New York In a Silent Way op. Er spelen drie toetsenisten tegelijk: Herbie Hancock en Chick Corea op elektrische piano en Joe Zawinul, een Oostenrijker die met Cannonball Adderley in Amerika bekend was geworden, op orgel. Daarnaast speelt de Engelse gitarist John McLaughlin, die net in New York was aangekomen. Het titelstuk is een compositie van Zawinul. Davis haalde de wisselende akkoorden eruit, zodat de melodie boven één lage toon blijft zweven. Er is geen swing en geen walking bass. De muziek zweeft, en de elektrische piano's laten de akkoorden natrillen als belletjes.

Wat het album bijzonder maakt, gebeurde na de opname. Producer Teo Macero knipte de urenlange banden in stukken en plakte ze opnieuw aan elkaar. Op de tweede kant van de plaat klinkt In a Silent Way twee keer: aan het begin en aan het eind staat precies dezelfde opname, met It's About That Time ertussen. De vorm ontstond dus niet in de studio, maar bij de bandrecorder. Dat werd een nieuwe werkwijze in de jazz: postproductie, het bewerken van een opname achteraf, zoals in de popmuziek al gebruikelijk was.

In augustus 1969, kort na het Woodstock-festival, ging Davis drie dagen lang de studio in met een nog grotere groep. Naast Shorter, Corea, Zawinul en McLaughlin speelden Bennie Maupin op basklarinet, Dave Holland op contrabas en Harvey Brooks op basgitaar, de drummers Lenny White en Jack DeJohnette tegelijk, en percussionisten. Davis gaf vooraf weinig aanwijzingen: een baslijn, een paar akkoorden, een tempo. Hij liet de band lang doorspelen en stuurde de groep tijdens het spelen bij. Macero en Davis maakten van de opnamen daarna de stukken die op het dubbelalbum Bitches Brew (1970) staan. In Spanish Key hoor je hoe de groove van bassen en drums blijft doorlopen, terwijl de solisten en toetsenisten er steeds nieuwe lagen overheen leggen. De hoes, een schilderij van Mati Klarwein, liet al zien dat dit geen gewone jazzplaat was.

Davis speelde in 1970 in de Fillmore East in New York en de Fillmore West in San Francisco, de concertzalen van de rock, in het voorprogramma of op dezelfde avond als rockbands. In augustus 1970 trad hij op het Isle of Wight Festival in Engeland op voor een publiek van honderdduizenden. Veel jazzliefhebbers vonden dat hij zijn muziek verkocht. Voor Davis was het andersom: hij wilde spelen voor de mensen van zijn eigen tijd. Uit zijn bands van 1968 tot 1970 kwam bijna de hele volgende generatie van de fusion voort, de samensmelting van jazz met rock en funk (zie Mixtape 5).

Take 08 · 1969-1976 · New York, Rio de Janeiro

Vuur en veren

Flora Purim
Flora Purim, 1976

John McLaughlin werd in 1942 geboren in Doncaster, in het noorden van Engeland. Hij speelde in de Londense rhythm-and-blues- en jazzscene van de jaren zestig voordat hij in 1969 naar New York kwam om te spelen in Lifetime, het trio van drummer Tony Williams met organist Larry Young. Lifetime speelde jazz met de lengte en het volume van een rockband. In 1971 richtte McLaughlin zijn eigen groep op: het Mahavishnu Orchestra. De naam kwam van zijn geestelijk leraar, de Indiase goeroe Sri Chinmoy, die hem de naam Mahavishnu had gegeven. De groep bestond uit de Tsjech Jan Hammer op toetsen, de Amerikaanse violist Jerry Goodman, de Ierse bassist Rick Laird en drummer Billy Cobham, die in Panama was geboren.

Het eerste album, The Inner Mounting Flame (1971), opent met Meeting of the Spirits. Gitaar, viool en toetsen spelen daarin lange passages unisono: dezelfde snelle melodie tegelijk, alsof het één instrument is. McLaughlin gebruikte vaak onregelmatige maatsoorten, zoals een maat van zeven of negen tellen, die hij had leren kennen in de klassieke muziek van India. Cobham speelde met de kracht van een rockdrummer en de precisie van een jazzdrummer. Het volume was dat van een rockconcert. Het Mahavishnu Orchestra werd een van de groepen die jazzrock een groot publiek gaf, en het tweede album, Birds of Fire (1973), kwam hoog in de Amerikaanse albumlijst.

Chick Corea, in 1941 geboren in Chelsea, Massachusetts, ging na zijn tijd bij Davis eerst de andere kant op. Hij speelde vrije, akoestische jazz in de groep Circle, met onder anderen Anthony Braxton en Dave Holland, en nam in Oslo solo-pianoalbums op voor het nieuwe label ECM (zie take 10). Daarna zocht hij een muziek die mensen blij maakte en die ze konden volgen. In 1972 begon hij Return to Forever, met bassist Stanley Clarke, saxofonist en fluitist Joe Farrell, en twee Brazilianen: zangeres Flora Purim en haar man, drummer en percussionist Airto Moreira.

Het eerste album, Return to Forever, werd in februari 1972 in New York opgenomen en verscheen bij ECM. Corea speelt elektrische piano, en de muziek is licht, melodieus en vol Braziliaanse ritmes. In What Game Shall We Play Today zingt Flora Purim een eenvoudige, speelse melodie boven de elektrische piano van Corea en de percussie van Moreira. Na de bossa nova van de jaren zestig (zie Mixtape 5) was dit een nieuwe ontmoeting tussen jazz en Brazilië: niet de fluisterende zang van João Gilberto, maar een heldere, wendbare stem die ook zonder woorden kon zingen.

Flora Purim werd in 1942 in Rio de Janeiro geboren. Ze zong in Brazilië bossa nova en jazz en vertrok in 1967 naar de Verenigde Staten. Met Return to Forever werd ze bekend, en in 1973 nam ze haar eigen album Butterfly Dreams op, met onder meer Light as a Feather, een lied uit het repertoire van Return to Forever. Ze stond bekend om haar grote stembereik en gebruikte haar stem vaak als een instrument, ook zonder woorden. Moreira bracht de Braziliaanse percussie in de Amerikaanse jazz: de cuíca, een wrijftrommel die piept en kreunt, de berimbau en allerlei schudinstrumenten.

Return to Forever veranderde snel. Vanaf 1973 speelde de groep in een andere bezetting, met drummer Lenny White en later gitarist Al Di Meola, een harde, elektrische jazzrock die steeds meer op die van het Mahavishnu Orchestra leek. Het album Romantic Warrior (1976) werd een van de best verkochte fusionplaten. De lichte, Braziliaanse beginperiode bleef daarnaast een eigen klank: Corea liet horen dat elektrische jazz ook zacht kon zijn.

Take 09 · 1970-1983 · New York, Los Angeles, San Francisco

Funk, synthesizers en een draaitafel

Herbie Hancock
Herbie Hancock, 1976

Joe Zawinul en Wayne Shorter, die allebei op In a Silent Way en Bitches Brew hadden gespeeld, richtten in 1970 Weather Report op, met de Tsjechische bassist Miroslav Vitouš. Zawinul was in 1932 in Wenen geboren, Shorter in 1933 in Newark, New Jersey. In het begin speelde de groep een open, zwevende muziek, waarin niemand vaste solist en niemand vaste begeleider was. Gaandeweg werden de grooves strakker en de composities van Zawinul belangrijker. Zawinul verzamelde synthesizers en bouwde met lagen van klank een soort orkest op zijn eentje.

Op Black Market (1976) laat de groep horen hoe ver ze daarin waren gekomen. Het titelstuk van Zawinul heeft een eenvoudige, zingbare melodie boven een dansbare groove, met lagen van synthesizers en percussie. Tijdens de opnamen voor dit album kwam de bassist Jaco Pastorius bij de groep. Zijn spel op de fretloze basgitaar zou op het volgende album, Heavy Weather (1977), met Birdland, wereldberoemd worden (zie Mixtape 5).

Herbie Hancock werd in 1940 in Chicago geboren en speelde als elfjarige al een pianoconcert van Mozart met het Chicago Symphony Orchestra. Hij nam in de jaren zestig voor Blue Note onder meer Watermelon Man en Cantaloupe Island op en speelde vijf jaar bij Miles Davis. Begin jaren zeventig leidde hij een sextet dat bekend werd als Mwandishi, naar de Swahili-naam die hij toen gebruikte. Die groep speelde lange, vrije, elektronische stukken, met synthesizers en effecten. Het publiek bleef klein. Hancock was in die tijd boeddhist geworden en vroeg zich af voor wie hij eigenlijk speelde. Hij luisterde naar Sly and the Family Stone en James Brown, en besloot muziek te maken waarop mensen konden dansen.

In 1973 nam hij met een nieuwe groep Head Hunters op: Bennie Maupin op saxofoons en basklarinet, Paul Jackson op basgitaar, Harvey Mason op drums en Bill Summers op percussie. Het album opent met Chameleon, een stuk van ongeveer vijftien minuten. Het begint met een baslijn die Hancock zelf speelt op een synthesizer, de ARP Odyssey, en daarna komen er laag voor laag een clavinet (een elektrisch toetsinstrument met een scherpe, tokkelende klank), drums en percussie bij. Dit is jazzfunk: een groove van zestiende noten die niet ophoudt, met daarboven een eenvoudig thema en solo's op elektrische piano en synthesizer. Op hetzelfde album speelde Hancock zijn oude Watermelon Man opnieuw, nu met een inleiding waarin Bill Summers op een bierflesje blaast, een nabootsing van de hindewhu, een fluitspel van de Ba-Benzélé uit Centraal-Afrika. Head Hunters werd een van de best verkochte jazzalbums tot dan toe.

Tien jaar later zette Hancock nog een stap. Voor het album Future Shock (1983) werkte hij met bassist en producer Bill Laswell en met Grand Mixer D.ST, een dj uit de Bronx in New York. In Rockit klinken drumcomputer, synthesizers en het geluid van een plaat die met de hand heen en weer over de naald wordt bewogen: scratchen, een techniek uit de hiphop. Er is nauwelijks nog een jazzsolo te horen. De videoclip, met bewegende robotpoppen, werd veel gedraaid op MTV, en het nummer werd een hit in Europa en Amerika. In Rockit komen de elektrische jazz van de jaren zeventig en de hiphop van de jaren tachtig samen. Hoe die twee daarna verder samengingen, lees je in Sessie 4.

Set 3 · 1964-1985

Europa en de wereld

ECM in München en Oslo, de Amsterdamse improvisatoren, jazz in Warschau en Tokio, en jazz uit Zuid-Afrika en Ethiopië.

Take 10 · 1969-1985 · München, Oslo, Keulen

Het mooiste geluid naast de stilte

Keith Jarrett
Keith Jarrett, 1975

In 1969 richtte Manfred Eicher in München een platenlabel op: ECM, Edition of Contemporary Music. Eicher was in 1943 geboren in Lindau, aan de Bodensee, en had contrabas gestudeerd in Berlijn. Hij had gespeeld in orkesten en in jazzgroepen, en als productieassistent gewerkt bij een klassiek platenlabel. Het eerste album van ECM was Free at Last (1969) van de Amerikaanse pianist Mal Waldron, die toen in München woonde. Eicher nam veel op in Oslo, met de Noorse geluidstechnicus Jan Erik Kongshaug. Samen ontwikkelden ze een klank die je direct herkent: helder, ruim, met veel galm, de naklank van een ruimte, en met aandacht voor de stilte tussen de tonen. Op veel hoezen staan foto's van landschappen, wolken en water, met een eenvoudige letter. ECM nam een zin uit een Canadese recensie over als motto: the most beautiful sound next to silence, het mooiste geluid naast de stilte.

Eicher werkte met Amerikanen en Europeanen tegelijk. Chick Corea en Gary Burton, Dave Holland, gitarist Ralph Towner, de Duitse bassist Eberhard Weber en later de jonge gitarist Pat Metheny namen voor ECM op. Ook het Art Ensemble of Chicago maakte er albums. Tegenover de felle free jazz van Brötzmann en de elektrische fusion van Davis stond hier een andere vorm van vrijheid: rustig, kamermuziekachtig en open. Veel critici spraken van een ECM-klank, en sommigen bedoelden dat niet als compliment. Maar het label werd een van de invloedrijkste in de geschiedenis van de jazz.

De bekendste ECM-musicus werd pianist Keith Jarrett, in 1945 geboren in Allentown, Pennsylvania. Hij was een wonderkind dat op zijn zevende een eigen recital gaf. In de jaren zestig speelde hij bij Art Blakey en in het kwartet van saxofonist Charles Lloyd, en van 1970 tot 1971 op elektrische piano en orgel bij Miles Davis. Daarna speelde hij vrijwel alleen nog akoestische piano. Voor ECM maakte hij in 1971 Facing You, een album met solo-piano, en vanaf 1973 gaf hij concerten waarin hij alleen achter de vleugel zat en alles ter plekke verzon: solo-improvisatie zonder vooraf bedachte stukken.

Op 24 januari 1975 speelde hij zo in de Opera van Keulen. Het concert was georganiseerd door de zeventienjarige Vera Brandes, die al op jonge leeftijd jazzconcerten organiseerde. Er stond een verkeerde vleugel klaar: een kleine, versleten Bösendorfer die voor repetities werd gebruikt, met plakkende toetsen en een zwakke klank in de hoogte. Jarrett was moe van de reis en had rugpijn, en wilde eerst niet spelen. Hij deed het toch, om half twaalf 's avonds. Omdat de hoge tonen dun klonken, bleef hij veel in het midden van het klavier en bouwde hij lange passages op herhaalde akkoorden en baslijnen, met een sterke puls. Eicher liet het concert opnemen. The Köln Concert werd met miljoenen verkochte exemplaren het best verkochte soloalbum in de jazz en het best verkochte pianoalbum ooit.

Uit Noorwegen kwam saxofonist Jan Garbarek. Hij werd in 1947 geboren in Mysen, als zoon van een Poolse vader die in de oorlog als krijgsgevangene in Noorwegen was beland. Als tiener hoorde hij John Coltrane op de radio, en hij leerde zichzelf spelen. In de tweede helft van de jaren zestig speelde hij in groepen van de Amerikaanse componist George Russell, die toen in Scandinavië woonde. Voor ECM maakte hij vanaf 1970 albums, eerst met een felle toon die aan Coltrane deed denken, daarna steeds kalmer, met lang aangehouden tonen. Op Witchi-Tai-To (1974) speelt hij met het kwartet van de Zweedse pianist Bobo Stenson. Het titelstuk is een lied van Jim Pepper, een Amerikaanse saxofonist van inheemse afkomst, gebaseerd op een lied uit de traditie van zijn familie. Garbarek speelt de eenvoudige melodie op sopraansaxofoon, met lange, gedragen tonen. Veel luisteraars hoorden in zijn klank de Noorse natuur en de volksmuziek van Scandinavië; Garbarek zou die volksmuziek later ook bewust gaan gebruiken.

Jarrett en Garbarek speelden samen in wat later het Europese kwartet van Jarrett werd genoemd, met de Zweedse bassist Palle Danielsson en de Noorse drummer Jon Christensen. Hun eerste album, Belonging (1974), laat horen hoe een Amerikaanse pianist uit de gospel- en jazztraditie en drie Scandinaviërs een gemeenschappelijke taal vonden. De stukken zijn melodieus, met veel ruimte, en de ritmesectie speelt licht en beweeglijk. Zo groeide in de jaren zeventig een Europese jazz die niet langer klonk als een kopie van New York. Een van de wegen daarheen liep via München en Oslo. Een heel andere liep via Amsterdam.

Take 11 · 1964-1972 · Hilversum, Amsterdam, Bremen

Instant Composers Pool

Misha Mengelberg
Misha Mengelberg bij een concert met zijn composities in Carré, Amsterdam, 1968

Op 2 juni 1964 nam de Amerikaanse saxofonist, fluitist en basklarinettist Eric Dolphy in de studio van de VARA in Hilversum een radio-uitzending op. Hij werd begeleid door drie Nederlanders: pianist Misha Mengelberg, bassist Jacques Schols en drummer Han Bennink. Dolphy had gespeeld met Charles Mingus en John Coltrane en was in Europa op tournee. Vier weken later, op 29 juni 1964, overleed hij in Berlijn, 36 jaar oud, aan de gevolgen van suikerziekte die niet op tijd was herkend. De opname uit Hilversum verscheen dat jaar als Last Date.

Op Last Date staat Epistrophy, een stuk van Thelonious Monk, en ook een compositie van Mengelberg met de onuitspreekbare titel Hypochristmutreefuzz. Dolphy speelt op het album basklarinet, fluit en altsaxofoon, met grote sprongen tussen hoge en lage tonen en een klank die soms aan vogels of menselijke stemmen doet denken. De drie Nederlanders spelen niet als begeleiders die een Amerikaan volgen, maar als gelijken. Het is een van de eerste momenten waarop te horen is dat er in Nederland musici waren die een eigen kijk op de jazz hadden.

Misha Mengelberg werd in 1935 in Kiev geboren, als zoon van de Nederlandse componist en dirigent Karel Mengelberg. In 1938 kwam het gezin naar Nederland. Hij studeerde compositie aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en was geïnteresseerd in de kunstenaars van Fluxus, een internationale beweging die van kunst een spel en een gebeurtenis wilde maken. Han Bennink werd in 1942 in Zaandam geboren, als zoon van een beroepsmusicus. In de jaren zestig was hij de vaste drummer voor Amerikaanse solisten die in Nederland optraden, zoals Dexter Gordon, Johnny Griffin en Sonny Rollins.

Een voorbeeld is de opname die Sonny Rollins op 5 mei 1967 in de VARA-studio in Hilversum maakte, met Bennink en de Nederlandse bassist Ruud Jacobs. Rollins speelt bekende jazzstandards, zoals Blue Room van Richard Rodgers, en Bennink begeleidt hem als een swingende jazzdrummer. Dat is belangrijk om te weten: de Amsterdamse improvisatoren kwamen niet voort uit onkunde, maar uit een grondige kennis van de jazz die ze daarna op hun eigen manier gingen gebruiken.

In 1967 richtten Mengelberg, Bennink en de jonge saxofonist en klarinettist Willem Breuker het Instant Composers Pool op, kortweg ICP. Het was een collectief en een platenlabel tegelijk. De eerste plaat, ICP 001, was New Acoustic Swing Duo van Breuker en Bennink. De naam ICP zegt waar het om ging. Mengelberg zag improvisatie als instant composing: componeren op het moment zelf. Een improvisator neemt dezelfde beslissingen als een componist, alleen sneller en samen met anderen. Daarbij mocht alles: free jazz, maar ook een wals, een marsje, een melodie van Monk, een grap of een stilte. Bennink speelde behalve op zijn drumstel op de vloer, op stoelen, op de wanden van de zaal en op alles wat hij tegenkwam.

Ook in andere Europese landen braken musici met het voorbeeld uit Amerika. In Duitsland nam saxofonist Peter Brötzmann, in 1941 geboren in Remscheid, in mei 1968 in Bremen het album Machine Gun op, met een octet waarin ook Breuker en Bennink speelden, naast de Engelse saxofonist Evan Parker, de Belgische pianist Fred Van Hove, de Duitse bassisten Peter Kowald en Buschi Niebergall en de Zweedse drummer Sven-Åke Johansson. Het is een van de hardste en dichtste platen van de Europese jazz: drie saxofoons die zo luid en ruw spelen als ze kunnen, als een mitrailleur. In Berlijn richtten Brötzmann, Kowald en anderen in 1969 het label Free Music Production op. In Londen ontwikkelden gitarist Derek Bailey en Evan Parker een vrije improvisatie waarin ook de laatste herinnering aan swing, blues of thema was verdwenen. Bailey noemde dat later niet-idiomatische improvisatie: muziek die niet bij een stijl hoort. Al die musici speelden met elkaar, op festivals en in kleine zalen van Wuppertal tot Amsterdam. In de jaren zeventig werd Amsterdam een van hun belangrijkste plekken.

Take 12 · 1969-1985 · Amsterdam

Kollektief, BIM en Bimhuis

Willem Breuker
Willem Breuker ontvangt de Wessel Ilckenprijs in Frascati, Amsterdam, 1970

Willem Breuker werd in 1944 in Amsterdam geboren en speelde klarinet en saxofoon. In zijn muziek liepen marsen, walsen, tango's en de klank van fanfares en harmonieorkesten door elkaar met free jazz. In december 1970 kreeg hij de Wessel Ilckenprijs, een Nederlandse jazzprijs die vernoemd is naar een drummer uit de jaren veertig en vijftig. In 1973 gaf zijn groep een concert op een boot in de Amsterdamse grachten, zoals op de foto op de omslag van dit hoofdstuk: muziek op straat, voor wie langskwam.

De Amsterdamse improvisatoren waren ook politiek actief, op hun eigen manier. Op 17 november 1969 verstoorden jonge componisten en musici, onder wie Mengelberg, een concert van het Concertgebouworkest met toeters en ratels. Ze vonden dat het orkest te weinig nieuwe Nederlandse muziek speelde. Die actie werd bekend als de Notenkrakersactie. In 1971 richtten jazzmusici en improvisatoren de BIM op, de Beroepsvereniging van Improviserende Musici. De BIM ging in gesprek met de overheid, en dat had succes: improvisatoren konden subsidie krijgen voor concerten en compositieopdrachten, net als klassieke componisten. In 1974 opende de BIM in een voormalige meubelzaak aan de Oude Schans in Amsterdam een eigen podium: het Bimhuis. Het werd een van de bekendste jazzpodia van Europa, waar Amerikaanse en Europese improvisatoren elkaar ontmoetten. Sinds 2005 staat het Bimhuis aan het IJ, naast het Muziekgebouw.

Binnen het ICP ontstond in die jaren onenigheid. Breuker wilde meer vastleggen in compositie en theater, Mengelberg en Bennink wilden de open improvisatie bewaren. In 1973 en 1974 gingen ze uit elkaar, en Breuker begon het Willem Breuker Kollektief, een groep van ongeveer tien musici, met een eigen label: BVHaast. Het Kollektief speelde Breukers composities, die strak gearrangeerd waren en vol muzikale grappen zaten, afgewisseld met vrije passages. Op het podium werd er gelopen, gespeeld met kostuums en met het publiek. Breuker schreef ook voor toneel, film en muziektheater, en zijn liefde voor de liederen van Kurt Weill, de componist van de Dreigroschenoper, was duidelijk te horen. Voor een toneelstuk van Harry Mulisch schreef hij De Knop (1977), dat hij met het Nederlands Blazers Ensemble uitvoerde, met onder meer een tango op het kinderliedje Jantje zag eens pruimen hangen: een bekend melodietje in een andere jas, met een knipoog. Het Kollektief speelde meer dan dertig jaar, in heel Europa en Noord-Amerika, tot Breukers dood in 2010.

Mengelberg en Bennink bleven samen werken, als duo en vanaf eind jaren zeventig met een groter ensemble, dat later het ICP Orchestra ging heten. Daarin speelden onder anderen cellisten Tristan Honsinger en Ernst Reijseger, trombonist Wolter Wierbos, saxofonist Michael Moore en rietblazer Ab Baars. Het orkest speelde Mengelbergs eigen stukken, maar ook muziek van Thelonious Monk en van de pianist Herbie Nichols, uitgevoerd op een manier waarin de muzikanten elk moment konden afwijken van het geschreven materiaal. Met de Amerikaanse sopraansaxofonist Steve Lacy, trombonist George Lewis en bassist Arjen Gorter namen Mengelberg en Bennink het album Change of Season (1985) op, helemaal gewijd aan stukken van Herbie Nichols. Een concert van het ICP Orchestra kon een swingend Monk-thema, theatrale onderbrekingen en een lange stilte bevatten. Die mengeling van spel, ernst en spot werd in het buitenland gezien als iets typisch Nederlands. De Amerikaanse jazzjournalist Kevin Whitehead gaf zijn boek over deze scene later de titel New Dutch Swing.

Vrouwen speelden in de Europese improvisatie een kleine maar belangrijke rol. De Zwitserse pianiste Irène Schweizer, in 1941 geboren in Schaffhausen, speelde al in de jaren zestig met Duitse en Franse jazzmusici, onder meer in 1967 op Jazz Meets India, met trompettist Manfred Schoof, saxofonist Barney Wilen en het trio van de Indiase musicus Dewan Motihar, in stukken als Sun Love. Daarna werd ze een vaste naam in de vrije improvisatie en speelde ze in duo's met Han Bennink en met drummers uit Zuid-Afrika. In 1977 werd in Londen de Feminist Improvising Group opgericht, een groep van alleen vrouwen, met onder anderen zangeres Maggie Nicols en fagottiste Lindsay Cooper. Schweizer speelde er later in mee. De groep liet horen dat vrije improvisatie ook ging over wie er op het podium mocht staan.

Zo groeide in Amsterdam tussen 1965 en 1985 een eigen jazzcultuur, met eigen labels, een eigen podium en musici van wie velen zich niet eens jazzmusicus wilden noemen. Ze speelden met Amerikanen, Duitsers, Britten en Zuid-Afrikanen, en Amsterdam werd een stad waar musici uit andere landen kwamen wonen, zoals de Zuid-Afrikaanse saxofonist Sean Bergin. Maar niet alleen in West-Europa kreeg de jazz een eigen gezicht.

Take 13 · 1949-1985 · Warschau, Sopot, Tokio, Los Angeles

Warschau en Tokio

Leopold Tyrmand
Leopold Tyrmand, 1953

In Polen, dat na de Tweede Wereldoorlog een communistische staat was geworden, werd jazz een muziek van de vrijheid. Vanaf 1949 moesten kunstenaars werken volgens het socialistisch realisme: kunst moest de opbouw van het socialisme dienen en voor iedereen begrijpelijk zijn. Op een congres van Poolse componisten werd jazz dat jaar ideologisch vreemd genoemd, gebouwd op vijandige Amerikaanse voorbeelden. Jazz verdween van de radio en van de podia. Liefhebbers speelden en luisterden verder in huiskamers en kelders, en zochten westerse radiozenders op. Die jaren, van 1949 tot halverwege de jaren vijftig, heten in Polen de catacombe-periode: de jazz overleefde onder de grond.

Een van de woordvoerders van de jazz was schrijver Leopold Tyrmand, in 1920 in Warschau geboren. Voor hem was jazz een verklaring van vrijheid en daarmee een politieke daad. Na de dood van Stalin in 1953 werd het klimaat milder, en Tyrmand overtuigde de autoriteiten ervan dat jazz het land goed zou doen. In augustus 1956 vond in Sopot, een badplaats aan de Oostzee, het eerste grote Poolse jazzfestival plaats, waar Tyrmand de drijvende kracht achter was. In september 1958 volgde in Warschau 'Jazz 58', een festival van de studentenclub Hybrydy. Het ging verder onder de naam die Tyrmand bedacht: Jazz Jamboree. Het festival wordt sinds 1965 gehouden in het Paleis van Cultuur en Wetenschap in Warschau.

Op het festival van Sopot in 1956 viel het sextet op van pianist Krzysztof Komeda. Hij heette eigenlijk Krzysztof Trzciński, werd in 1931 in Poznań geboren en was keel-, neus- en oorarts. Zijn groep was een van de eerste in Polen die moderne jazz speelde. Komeda schreef ook de muziek voor de films van de jonge regisseur Roman Polański: Het mes in het water (1962), Cul-de-sac (1966), The Fearless Vampire Killers (1967) en, in Hollywood, Rosemary's Baby (1968), met een slaapliedje dat actrice Mia Farrow zelf zingt.

Van 5 tot 7 december 1965 nam Komeda in Warschau het album Astigmatic op, dat in 1966 verscheen bij het staatslabel Polskie Nagrania Muza. Hij speelde met trompettist Tomasz Stańko, altsaxofonist Zbigniew Namysłowski, de Duitse bassist Günter Lenz en de Zweedse drummer Rune Carlsson. Critici noemen het album een van de belangrijkste uit de Europese jazz, en Manfred Eicher van ECM sprak van een mijlpaal. Eind 1968 liep Komeda in Los Angeles na een val hersenletsel op, en in april 1969 overleed hij in Warschau, 37 jaar oud.

De jonge musici uit zijn kwintet gingen elk hun eigen weg. Tomasz Stańko, in 1942 in Rzeszów geboren, had in 1962 de groep Jazz Darings opgericht, die vaak de eerste Europese free-jazzgroep wordt genoemd. Later nam hij voor ECM op, onder meer Litania (1997), een album met muziek van Komeda. Zbigniew Namysłowski, in 1939 in Warschau geboren, zocht de verbinding tussen jazz en Poolse volksmuziek. De titel Kujaviak Goes Funky (1975) zegt het al: de kujawiak is een volksdans uit de streek Kujawy, in driekwartsmaat. Violist en saxofonist Michał Urbaniak, in 1943 in Warschau geboren, vertrok in september 1973 met zijn vrouw, zangeres Urszula Dudziak, naar New York. Later speelde hij mee op Tutu (1986) van Miles Davis.

Toshiko Akiyoshi-Lew Tabackin Big Band
Toshiko Akiyoshi-Lew Tabackin Big Band op het Monterey Jazz Festival, Californië, 1981

In Japan was jazz tijdens de oorlog als 'vijandelijke muziek' verboden. Na 1945 bezetten de Amerikanen het land, en de soldaten wilden de muziek van thuis horen. Dat gaf Japanse musici werk. Platen uit Amerika waren in de jaren vijftig voor de meeste mensen te duur, en daarom gingen liefhebbers naar een jazz kissa, een café waar je koffie of een drankje bestelde om naar jazzplaten te luisteren. De eigenaar koos de platen, het geluid kwam uit een goede installatie en praten was vaak niet de bedoeling. Ook musici als Toshiko Akiyoshi en Sadao Watanabe leerden veel in zulke cafés. Midden jaren zeventig waren er in Japan ongeveer zeshonderd.

Pianiste Toshiko Akiyoshi werd in 1929 geboren in Liaoyang, in Mantsjoerije, en kwam in 1948 naar Tokio. In 1953 hoorde Oscar Peterson haar spelen in een club in de wijk Ginza. Nog dat jaar nam producer Norman Granz haar eerste album op. In januari 1956 werd ze de eerste Japanse student van het Berklee College of Music in Boston. In 1969 trouwde ze met de Amerikaanse tenorsaxofonist en fluitist Lew Tabackin, en in maart 1973 begonnen ze in Los Angeles een bigband van zestien studiomusici. Hun eerste album, Kogun (1974), werd in april 1974 in Hollywood opgenomen. In het titelstuk klinkt de tsuzumi, een Japanse handtrom uit het nō-theater. De titel betekent zoiets als 'eenmansleger' en verwijst naar een Japanse soldaat die tot bijna dertig jaar na de oorlog in de jungle bleef, omdat hij niet geloofde dat de oorlog voorbij was.

Altsaxofonist Sadao Watanabe, in 1933 in Utsunomiya geboren, speelde in Tokio in het kwartet van Akiyoshi en nam de leiding over toen zij naar Amerika vertrok. Van 1962 tot 1965 studeerde hij zelf op Berklee, waar hij ook Braziliaanse muziek leerde kennen. Trompettist Terumasa Hino, in 1942 in Tokio geboren, leidde vanaf 1964 een eigen band en vestigde zich midden jaren zeventig in New York. Pianist Yosuke Yamashita, ook in 1942 in Tokio geboren, begon in 1969 een trio met drummer Takeo Moriyama dat free jazz speelde. Met saxofonist Akira Sakata, die er begin jaren zeventig bij kwam, toerde het trio vanaf 1974 door Europa.

In Polen stond jazz voor een vrijheid die de staat niet gaf, in Japan werd er met grote aandacht naar geluisterd, en in beide landen vonden musici een eigen klank. In Zuid-Afrika ging het om nog meer: daar kon samen spelen al verboden zijn, en veel Zuid-Afrikaanse jazzmusici vluchtten in de jaren zestig naar Europa.

Take 14 · 1959-1985 · Kaapstad, Londen, Addis Abeba

Thuis en ver weg

Abdullah Ibrahim
Abdullah Ibrahim, 2008

In Zuid-Afrika was jazz al sinds de jaren twintig een deel van het leven in de townships, de woonwijken voor zwarte en gekleurde Zuid-Afrikanen. In Johannesburg ontstond marabi, muziek voor piano of orgel op een korte, steeds herhaalde reeks akkoorden, gespeeld op feesten in de illegale kroegen. Uit marabi, Amerikaanse swing en kerkmuziek groeiden in de jaren veertig en vijftig eigen vormen van jazz, met grote bands en populaire zanggroepen. Maar onder de apartheid, het systeem van rassenscheiding dat de regering vanaf 1948 invoerde, werd het steeds moeilijker om samen te spelen, op te treden of zelfs te wonen waar je wilde.

Pianist Adolph Johannes Brand werd in 1934 in Kaapstad geboren. Hij groeide op met de hymnes van de kerk, met de muziek van de Kaapse straatfeesten en met platen van Duke Ellington en Thelonious Monk. Hij werd bekend als Dollar Brand. In 1959 speelde hij in de Jazz Epistles, met saxofonist Kippie Moeketsi, trompettist Hugh Masekela en trombonist Jonas Gwangwa. Hun album Jazz Epistle, Verse 1, begin 1960 opgenomen, geldt als de eerste jazz-lp van zwarte Zuid-Afrikaanse musici. Kort daarna, na het bloedbad van Sharpeville in maart 1960, verscherpte de regering de regels voor bijeenkomsten, en de musici gingen uit elkaar. Masekela vertrok naar Amerika, waar hij in 1968 een nummer-1-hit had met Grazing in the Grass. Brand vertrok in 1962 met zangeres Sathima Bea Benjamin, met wie hij later trouwde, naar Zürich.

Daar hoorde Duke Ellington hem in 1963 spelen, op aandringen van Sathima Bea Benjamin. Ellington regelde een opname in Parijs, die in 1964 verscheen als Duke Ellington Presents the Dollar Brand Trio. Op het album staan eigen stukken van Brand, zoals Ubu Suku, naast Brilliant Corners van Thelonious Monk. Brand kreeg daardoor optredens in Europa en Amerika. In 1968 bekeerde hij zich tot de islam en nam hij de naam Abdullah Ibrahim aan.

In 1974 was Ibrahim terug in Kaapstad. Hij nam er met saxofonist Basil Coetzee en andere musici uit de stad Mannenberg op, een lang stuk dat genoemd is naar Manenberg, een wijk op de Cape Flats waar gekleurde gezinnen naartoe werden gedwongen toen hun oude buurten voor witte bewoners werden bestemd. De muziek is rustig en vol, met een eenvoudig, herhaald akkoordenpatroon zoals in marabi, een melodie die als een hymne klinkt, en een lange solo van Coetzee. Het stuk werd een onofficieel volkslied van het verzet tegen de apartheid, gespeeld op bijeenkomsten en in huiskamers. Coetzee heette daarna in Kaapstad 'Basil Manenberg Coetzee'. Na de opstand in Soweto in 1976 ging Ibrahim opnieuw in ballingschap. Hij keerde pas begin jaren negentig terug, na de vrijlating van Nelson Mandela in 1990.

Een andere groep vertrok al in 1964. De Blue Notes waren een gemengde band, verboden onder de apartheid: de witte pianist Chris McGregor en vijf zwarte musici, onder wie altsaxofonist Dudu Pukwana, trompettist Mongezi Feza, bassist Johnny Dyani en drummer Louis Moholo. Na een optreden op het jazzfestival van Antibes in Frankrijk keerden ze niet terug. Ze vestigden zich in 1965 in Londen, waar hun mengeling van melodieën uit de townships en free jazz grote invloed had op Britse musici. Rond 1970 richtte McGregor de bigband Brotherhood of Breath op, met de Zuid-Afrikanen en Britse jazzmusici samen. In Mra, van het eerste album van de groep, staat een melodie in de stijl van de townships naast de vrije solo's van de Londense free jazz. Louis Moholo, de laatste Blue Note die toen nog leefde, keerde in 2005 terug naar Zuid-Afrika. Hij overleed er in 2025.

Aan de andere kant van Afrika, in Ethiopië, bracht Mulatu Astatke jazz samen met de muziek van zijn land. Hij werd in 1943 geboren in Jimma en werd als tiener naar Groot-Brittannië gestuurd om te studeren. In Londen studeerde hij muziek, daarna ging hij naar het Berklee College of Music in Boston. In New York nam hij in de jaren zestig platen op met latinmusici. Eind jaren zestig keerde hij terug naar Addis Abeba, waar het nachtleven bloeide en kleine labels de nieuwe Ethiopische popmuziek opnamen. Mulatu speelde vibrafoon, conga's en toetsen, en noemde zijn muziek ethio-jazz: jazzharmonie, latinritmes en funk, gebouwd op de vijftonige toonladders van de Ethiopische muziek, de qenet. In Yèkèrmo Sèw, 'een man van ervaring en wijsheid', draagt zo'n Ethiopische toonladder de melodie. Na de revolutie van 1974 kwam er een avondklok, en het nachtleven van Addis Abeba stierf weg. Mulatu's muziek raakte buiten Ethiopië bekend toen de Franse producer Francis Falceto vanaf 1997 de reeks Éthiopiques uitbracht, en nog meer toen regisseur Jim Jarmusch haar in 2005 gebruikte in zijn film Broken Flowers.

In 1985 was jazz niet meer van één stad of één land. Er was free jazz uit New York en Chicago, spirituele jazz uit Los Angeles, fusion uit de studio's van Columbia, kamermuziek uit Oslo, theater en spot uit Amsterdam, vrijheidsmuziek uit Warschau, bigbandjazz en luistercafés in Tokio, en jazz uit Kaapstad, Londen en Addis Abeba die de muziek van huis meenam. Tegelijk groeide er bij jonge Amerikaanse musici verzet tegen al die vrijheid. Zij wilden terug naar de swing, de blues en de akoestische instrumenten van de grote meesters, en vonden dat jazz zijn eigen geschiedenis moest leren kennen. En op de dansvloeren en in de hiphopstudio's begon een generatie oude jazzplaten opnieuw te ontdekken. Over die twee bewegingen, terug naar de bron en vooruit naar de dansvloer, gaat het volgende hoofdstuk (zie Sessie 4).

Begrippen

Akkoordenschema
Vaste reeks akkoorden onder een stuk, waarover in de bebop werd geïmproviseerd.
Free jazz
Jazz waarin vaste afspraken over akkoorden, vorm, maat en tempo worden losgelaten.
Collectieve improvisatie
Alle musici improviseren tegelijk in plaats van om de beurt.
Harmolodics
Ornette Colemans opvatting waarin harmonie, melodie en beweging even belangrijk zijn.
Cluster
Tros van naast elkaar liggende tonen die tegelijk worden aangeslagen.
Ostinato
Kort motief dat steeds wordt herhaald, zoals de baslijn van A Love Supreme.
Spiritual jazz
Jazz gericht op geloof en meditatie, met lange modale stukken en instrumenten uit Afrika en Azië.
Drone
Toon die een heel stuk door blijft klinken, zoals die van de Indiase tanpura.
Afrofuturisme
Verbinding van toekomst, ruimtevaart en Afrikaanse geschiedenis, zoals bij Sun Ra.
AACM
Vereniging van musici uit Chicago (1965) die zelf concerten, les en nieuwe muziek organiseerde.
Postproductie
Het achteraf knippen en bewerken van opnamen, zoals bij In a Silent Way.
Fusion
Samensmelting van jazz met rock en funk, met elektrische instrumenten.
Jazzfunk
Jazz op een doorlopende funkgroove, met synthesizers en elektrische piano.
Scratchen
Een plaat met de hand heen en weer bewegen onder de naald, een techniek uit de hiphop.
Instant composing
Mengelbergs idee van improvisatie als componeren op het moment zelf.
Vrije improvisatie
Improvisatie zonder thema of stijl, zoals in de Europese improvisatie vanaf eind jaren zestig.
Catacombe-periode
De jaren van 1949 tot halverwege de jaren vijftig, toen jazz in Polen alleen in het geheim kon klinken.
Jazz kissa
Japans café waar je komt om, vaak in stilte, naar jazzplaten te luisteren.
Tsuzumi
Japanse handtrom uit het nō-theater, te horen in Kogun van Toshiko Akiyoshi.
Marabi
Muziek uit de townships van Johannesburg op een korte, herhaalde akkoordenreeks.
Ethio-jazz
Mulatu Astatkes mengeling van jazz, latin en funk met Ethiopische toonladders.

Verder luisteren en kijken

Foto's: Wikimedia Commons. Platenhoezen: Apple Music.

After Hours · Jazz, een verborgen kant van School of Rock · ArtEZ University of the Arts