After Hours · Sessie 4

Overal jazz

Van de neotraditionalisten via acid jazz en jazzrap naar de nieuwe scenes in Londen, Los Angeles en Nederland, 1980–nu.

Rond 1980 leek de jazz zijn eigen geschiedenis kwijt te zijn. Free jazz had de vaste vormen losgelaten, fusion had de elektrische gitaar en de rockdrums binnengehaald, en op de radio klonk een gladde, zachte jazz die vooral niet wilde storen. Platenmaatschappijen verkochten weinig nieuwe jazz, en veel van de grote namen uit de jaren vijftig en zestig waren overleden of speelden in Europa. Wie in 1980 achttien was, kende jazz misschien vooral als iets van zijn ouders of grootouders.

In de jaren daarna ging de jazz twee kanten tegelijk op. Een groep jonge musici in pak, aangevoerd door trompettist Wynton Marsalis uit New Orleans, wilde terug naar de akoestische jazz van swing, blues en bebop, en die als klassieke muziek van Amerika een vaste plek geven, met eigen concertzalen en een eigen canon. Tegelijk ontdekten dj's, rappers en producers in Londen en New York de oude jazzplaten opnieuw: niet in de concertzaal, maar in de platenbak. Ze draaiden ze voor dansers, of knipten er stukjes uit om er nieuwe nummers op te bouwen. Jazz werd een bron, een klank en een houding, ook voor mensen die nooit een jazzclub van binnen hadden gezien.

Na 2000 kwam er een generatie die beide werelden van huis uit kende. Pianist Robert Glasper, saxofonist Kamasi Washington en bassiste en zangeres Esperanza Spalding groeiden op met hiphop en R&B, maar leerden het vak met de platen van Coltrane en Monk. In Londen ontstond een scene van jonge musici met wortels in het Caribisch gebied en West-Afrika, die jazz speelde voor een publiek dat stond te dansen. Ook in Nederland, van het Bimhuis tot het North Sea Jazz Festival, bleef de muziek in beweging. Jazz is in deze jaren niet één stijl meer. Hij is overal: op het festivalpodium en in de hitlijst, in een rapnummer en in een afspeellijst om bij te studeren.

Set 1 · 1980-1999

Terug naar de bron

Jonge leeuwen in pak, een herboren Blue Note, een festival in Den Haag en de gladde kant van de jaren tachtig.

Take 01 · 1980-1997 · New Orleans, New York

Wynton Marsalis en de Young Lions

Wynton Marsalis met trompet
Wynton Marsalis, West Orange (New Jersey), 2009

Wynton Marsalis werd op 18 oktober 1961 in New Orleans geboren, de stad waar de jazz begon (zie Sessie 1). Zijn vader Ellis Marsalis was pianist en een gerespecteerd jazzdocent. Van zijn broers werden Branford (saxofoon), Delfeayo (trombone) en Jason (drums) ook musicus. Wynton leerde de trompet zowel in de jazz als in de klassieke muziek. In 1979 ging hij naar New York om te studeren aan de Juilliard School, een van de bekendste conservatoria van de Verenigde Staten.

Al in 1980 nam drummer Art Blakey hem op in de Jazz Messengers, de band die al sinds de jaren vijftig dienstdeed als school voor jonge hardbopmusici (zie Sessie 2). Daarna ging het snel. In 1981 toerde hij met de oud-leden van de groep van Miles Davis uit de jaren zestig, onder wie pianist Herbie Hancock, bassist Ron Carter en drummer Tony Williams. In 1982 verscheen zijn eerste album bij Columbia, het grote platenlabel dat ook Miles Davis jarenlang onder contract had gehad. Marsalis was twintig.

Op Think of One (1983), genoemd naar een stuk van Thelonious Monk, speelt Marsalis met zijn broer Branford op saxofoon, pianist Kenny Kirkland en drummer Jeff 'Tain' Watts. De muziek klinkt als de akoestische jazz van de jaren zestig, maar strakker en scherper uitgevoerd. Het snelle Knozz-Moe-King laat zien waar de groep voor stond: een kwintet zonder elektrische instrumenten, een vorm met een thema, solo's en weer het thema, en een ritmesectie die voortdurend op de solist reageert. Tegelijk nam Marsalis klassieke trompetconcerten op van Haydn, Hummel en Leopold Mozart. In 1984 kreeg hij voor beide albums een Grammy: als eerste musicus won hij in hetzelfde jaar de prijs voor jazz én voor klassieke muziek.

De pers sprak al snel van de Young Lions, de jonge leeuwen: een groep musici van rond de twintig die in maatpak akoestische jazz speelden en bij grote platenmaatschappijen een contract kregen. Twee andere jongens uit New Orleans, trompettist Terence Blanchard en altsaxofonist Donald Harrison, volgden Wynton en Branford op in de Jazz Messengers. Pianist Marcus Roberts, die blind is, speelde in de band van Marsalis. Trompettist Roy Hargrove uit Texas werd door Marsalis ontdekt toen hij nog op de middelbare school zat. Tenorsaxofonist Joshua Redman won in 1991 de Thelonious Monk-competitie, de belangrijkste wedstrijd voor jonge jazzmusici.

Deze stroming heet het neotraditionalisme: het teruggrijpen op de akoestische jazz van vóór fusion en free jazz, met de bedoeling die traditie voort te zetten. Op Black Codes (From the Underground) (1985) is dat goed te horen. Het titelstuk verwijst naar de 'Black Codes', wetten waarmee zuidelijke staten na de Amerikaanse Burgeroorlog de vrijheid van zwarte Amerikanen beperkten. Muzikaal sluit het aan bij het kwintet van Miles Davis uit de jaren zestig: snelle wisselingen van tempo en maatsoort, een drummer die de vorm openbreekt, en solo's die niet op een vast akkoordenschema hoeven te blijven. Na dit album vertrokken Branford Marsalis en Kenny Kirkland naar de band van popzanger Sting, wat Wynton hun kwalijk nam.

Marsalis had uitgesproken ideeën. Samen met de schrijvers Stanley Crouch en Albert Murray verdedigde hij de opvatting dat jazz een eigen kern heeft: swing, de blues en het samenspel van een groep. Fusion en veel free jazz hoorden daar volgens hem niet bij. Dat leverde felle discussies op, met critici en met oudere musici. In 1986 kwam het op het jazzfestival van Vancouver tot een botsing toen Marsalis onaangekondigd het podium opliep tijdens een concert van Miles Davis, die hem duidelijk liet merken dat hij daar niet welkom was. Voor de een was Marsalis de redder van de jazz, voor de ander een conservatieve bewaker van een museum.

Die rol van bewaker kreeg hij ook officieel. Vanaf 1987 organiseerde hij een zomerreeks met jazzconcerten in Lincoln Center in New York, het complex van de Metropolitan Opera en de New York Philharmonic. Daaruit groeide Jazz at Lincoln Center, met een eigen orkest en sinds 2004 een eigen concertgebouw. In 1997 won Marsalis als eerste jazzmusicus de Pulitzerprijs voor muziek, voor Blood on the Fields, een oratorium over de slavernij. En in de televisiedocumentaire Jazz (2001) van Ken Burns was hij de musicus die het vaakst aan het woord kwam. Zo werd jazz in deze jaren voor het eerst als canon behandeld: een vaste reeks meesterwerken en grote namen, die je kunt bestuderen zoals je Bach of Beethoven bestudeert.

Take 02 · 1985-1995 · New York

Blue Note herrijst, de stemmen veranderen

Betty Carter zingt
Betty Carter in de Lucernazaal, Praag, 1986

Ook de oude platenlabels kwamen terug. Blue Note, het label van de hardbop met de hoezen van Reid Miles en de opnames van Rudy Van Gelder (zie Sessie 2), had eind jaren zeventig bijna geen nieuwe platen meer gemaakt. In 1985 nam de Britse platenmaatschappij EMI het label onder handen en werd Bruce Lundvall de nieuwe directeur. Op 22 februari 1985 gaf Blue Note in Town Hall in New York een groot concert onder de titel One Night with Blue Note. Musici die twintig jaar eerder voor het label hadden opgenomen, stonden opnieuw samen op het podium, onder wie Herbie Hancock, Freddie Hubbard en Art Blakey.

Hancock speelde die avond onder meer Cantaloupe Island, een stuk dat hij in 1964 voor Blue Note had opgenomen. Het staat op een eenvoudige vorm van zestien maten met een herhaalde pianofiguur in de linkerhand en een rustig, bijna dansbaar ritme. Precies die figuur zou acht jaar later een hit worden in een heel andere vorm (zie Take 07). Tegelijk kwam de cd op, de compact disc, die vanaf 1982 in de winkel lag. Platenmaatschappijen brachten hun oude catalogus massaal opnieuw uit, en een nieuwe generatie luisteraars kocht Kind of Blue en Blue Train alsof het nieuwe platen waren. De geschiedenis van de jazz werd zo goed verkrijgbaar als nooit tevoren.

Ook oudere musici kregen een tweede kans. Tenorsaxofonist Dexter Gordon, die vanaf de jaren zestig vooral in Kopenhagen had gewoond, keerde in 1976 terug naar New York. Tien jaar later speelde hij de hoofdrol in de film 'Round Midnight (1986) van de Franse regisseur Bertrand Tavernier, over een Amerikaanse jazzmusicus in Parijs. Gordon werd voor een Oscar genomineerd, en Herbie Hancock won er een voor de muziek.

Een van de belangrijkste stemmen van deze jaren was Betty Carter. Ze werd in 1929 geboren in Flint, Michigan, en groeide op in Detroit. Eind jaren veertig zong ze bij de bigband van vibrafonist Lionel Hampton, die haar 'Betty Bebop' noemde. Ze zong als een bebopblazer: ze veranderde tempo's, rekte melodieën uit, improviseerde met lettergrepen en zette de bekende tekst van een standard op onverwachte plekken. Omdat platenmaatschappijen haar te moeilijk vonden, begon ze een eigen label. Ze werd ook een leraar voor een hele generatie: in haar trio speelden jonge pianisten als Mulgrew Miller, Benny Green en Cyrus Chestnut. Met het album Look What I Got! (1988), op het label Verve, won ze in 1989 een Grammy. Carter overleed in 1998 in New York.

Cassandra Wilson, geboren in 1955 in Jackson, Mississippi, koos een andere weg. In de jaren tachtig hoorde ze in Brooklyn bij M-Base, een kring van musici rond altsaxofonist Steve Coleman die zocht naar nieuwe ritmische structuren in de jazz, met invloeden uit funk en Afrikaanse muziek. In 1993 bracht ze bij het vernieuwde Blue Note het album Blue Light 'til Dawn uit, met producer Craig Street. De begeleiding draait niet om de piano, maar om akoestische gitaren en percussie. Haar repertoire komt van overal: twee blues van Robert Johnson uit de jaren dertig, zoals Come On In My Kitchen, naast songs van Joni Mitchell, Van Morrison en de soulzangeres Ann Peebles. Haar lage, donkere alt en de trage tempo's maakten de plaat een voorbeeld voor veel latere zangeressen. Een jazzzangeres hoefde niet meer uit het songboek van Broadway te zingen. Elke song kon een standard worden, als je hem maar opnieuw uitvond.

Take 03 · 1976-nu · Den Haag, Rotterdam

Drie dagen jazz aan de Noordzee

Count Basie en Oscar Peterson op Schiphol
Count Basie en Oscar Peterson komen aan op Schiphol voor het North Sea Jazz Festival, 1977

In Nederland kreeg de jazz in deze jaren een van de grootste podia ter wereld. In 1976 organiseerde concertpromotor Paul Acket in het Congresgebouw in Den Haag de eerste editie van het North Sea Jazz Festival. Het idee was groot opgezet: drie dagen in juli, in alle zalen van het gebouw tegelijk, van de middag tot diep in de nacht. Wie een kaartje had, kon de hele avond van zaal naar zaal lopen en in een paar uur een bigband, een pianotrio, een bluesgitarist en een zangeres horen.

Acket haalde de grote Amerikaanse namen naar Den Haag. Op de foto uit 1977 komen pianisten Count Basie en Oscar Peterson aan op Schiphol. Ella Fitzgerald, Dizzy Gillespie, Sarah Vaughan en Miles Davis traden er op; Davis speelde er onder meer in 1984. Voor veel Amerikaanse musici was een zomertournee langs de Europese festivals, met Montreux in Zwitserland en North Sea in Den Haag als vaste haltes, een belangrijk deel van hun inkomen. In Europa werd jazz vaak met meer respect ontvangen dan thuis.

Op het festival werd ook veel opgenomen. Baritonsaxofonist Gerry Mulligan, die je kent uit de cooljazz en het pianoloze kwartet met Chet Baker (zie Sessie 2), speelde er in 1982 met zijn eigen groep. Zijn Song for Strayhorn is een eerbetoon aan Billy Strayhorn, de componist en arrangeur die bijna dertig jaar met Duke Ellington samenwerkte. Chet Baker zelf trad in de jaren tachtig vaak in Nederland op. Hij overleed op 13 mei 1988 in Amsterdam, na een val uit het raam van zijn hotel.

Ook Nederlandse musici vonden er een groot publiek. Het Rosenberg Trio uit Brabant speelt gypsy jazz, de swing van Django Reinhardt (zie Sessie 1): snelle melodieën op een akoestische gitaar, begeleid door een tweede gitaar die op elke tel een korte, droge akkoordslag geeft, de pompe, en door een contrabas. De drie Rosenbergs, sologitarist Stochelo, ritmegitarist Nous'che en bassist Nonnie, zijn Sinti en leerden de muziek in de familie, op het gehoor. Hun optreden op het festival van 1992 verscheen een jaar later als album. Op Minor Swing, dat Reinhardt en violist Stéphane Grappelli in 1937 opnamen, hoor je hoe sterk die traditie in Nederland leeft.

Het festival was nooit alleen voor jazz. Al vroeg stonden er blues, soul en funk op het programma, later ook hiphop, R&B en pop. Puristen klaagden daarover, maar het festival groeide. In 2006 verhuisde North Sea Jazz naar Ahoy in Rotterdam, omdat het Congresgebouw niet langer geschikt was. Daar stond bijvoorbeeld in 2012 de soulzanger D'Angelo, en je kunt er op één avond een jazzorkest, een Braziliaanse zangeres en een rapper zien. Daarmee is het festival een goed beeld van de jazz na 1980: een muziek met een sterke eigen traditie, die tegelijk met allerlei andere stijlen in gesprek is.

Paul Acket overleed in 1992. Naast North Sea Jazz kent Nederland nog veel andere jazzfestivals en podia, van het traditionele Breda Jazz Festival tot het Bimhuis in Amsterdam, het podium van de geïmproviseerde muziek, dat in 1974 werd opgericht (zie Take 13).

Take 04 · 1974-1987 · Kansas City, Boston, München

Pat Metheny en de gitaar als orkest

Pat Metheny met gitaar
Pat Metheny, Washington, 1998

Niet iedereen zocht het in de traditie of in de terugkeer naar de jaren zestig. Gitarist Pat Metheny werd op 12 augustus 1954 geboren in Lee's Summit, een stadje bij Kansas City in Missouri. Hij was zo vroeg goed dat hij als tiener al lesgaf aan de universiteit van Miami en aan het Berklee College of Music in Boston, de grote Amerikaanse school voor jazz en popmuziek. Vanaf 1974 speelde hij in de groep van vibrafonist Gary Burton.

Zijn eerste album, Bright Size Life (1976), verscheen bij ECM, het label van producer Manfred Eicher in München (zie Sessie 3). Metheny speelt in een trio met drummer Bob Moses en de toen nog onbekende bassist Jaco Pastorius, die later in Weather Report beroemd werd. De muziek is helder en open. Metheny speelt lange, zingende lijnen met een warme, ronde klank, en Pastorius gebruikt zijn fretloze basgitaar als tweede melodie-instrument. De akkoorden komen soms uit de folk en de country van het Amerikaanse Midwesten, waar Metheny opgroeide, eerder dan uit de bebop.

In 1977 begon hij met toetsenist Lyle Mays de Pat Metheny Group. Mays bracht synthesizers, piano en een gevoel voor orkestrale klank mee. Samen schreven ze stukken die meer op een lang lied of een filmscène lijken dan op een jazzstandard: met een inleiding, verschillende delen en een melodie die langzaam opbouwt naar een hoogtepunt. In de jaren tachtig vulde de groep grote zalen over de hele wereld.

Op Offramp (1982) gebruikt Metheny voor het eerst een gitaarsynthesizer: een gitaar waarvan de tonen worden omgezet in signalen die een synthesizer aansturen. Daardoor kan hij met zijn vingers op de snaren een klank maken die eerder op een trompet of een elektronische hoorn lijkt. In Are You Going With Me? bouwt de groep een lange, trage spanning op boven een herhaald ritme in de percussie, tot Metheny met die nieuwe klank aan zijn solo begint. Het stuk werd een van de bekendste nummers van de groep.

Metheny bleef alle kanten op werken. In 1986 maakte hij Song X met Ornette Coleman, de grondlegger van de free jazz (zie Sessie 3). Een jaar later verscheen Still Life (Talking), met invloeden uit de Braziliaanse muziek en met stemmen die zonder tekst meezingen. Een van de stukken, Last Train Home, is een eenvoudige melodie die Metheny speelt op een elektrische sitar: een gitaar die de zoemende klank van de Indiase sitar nadoet. Drummer Paul Wertico speelt met brushes, staalborstels, een gelijkmatig ritme dat klinkt als een trein over de rails. Al in 1984 had hij de Canadese gitaarbouwster Linda Manzer gevraagd om een gitaar met zoveel mogelijk snaren: dat werd de Pikasso, met 42 snaren. Metheny laat zien dat de grens tussen fusion, jazz, folk en wereldmuziek in deze jaren voor veel musici niet meer bestond.

Take 05 · 1976-1999 · Washington, Los Angeles, Amsterdam

De gladde kant: smooth jazz op de radio

Candy Dulfer met altsaxofoon
Candy Dulfer, Amsterdam, 2009

Terwijl Marsalis en Metheny in concertzalen speelden, groeide op de radio een heel ander soort jazz. In Mixtape 5 kwam smooth jazz al voorbij, met Grover Washington Jr. en Just the Two of Us (zie Mixtape 5). Hier gaat het om de vraag hoe die muziek zo groot kon worden. Een belangrijk deel van het antwoord ligt bij de radio. In 1976 begon een zender in Washington met een avondprogramma vol zachte soul en R&B, dat quiet storm werd genoemd, naar een album van Smokey Robinson. Het werd een vast radioformat: een vaste soort muziek voor een vast publiek, op een vast uur. In de jaren tachtig kwamen er zenders die de hele dag rustige instrumentale muziek draaiden, met de saxofoon als belangrijkste stem. Zo'n zender in Los Angeles noemde zich vanaf 1987 The Wave. Later kreeg dat format de naam smooth jazz.

De muziek werd gemaakt door uitstekende studiomusici. Altsaxofonist David Sanborn, geboren in 1945, speelde in de jaren zeventig de saxofoonpartijen op platen van David Bowie, Stevie Wonder en James Taylor. Zijn eigen albums hadden een strakke funkgroove, een glanzende productie en een felle, huilende saxofoontoon die meer op een soulzanger lijkt dan op een bebopsolist. Sanborn overleed in 2024.

De grootste naam werd Kenny G, geboren in 1956 in Seattle als Kenneth Gorelick. Hij speelt sopraansaxofoon, een rechte saxofoon met een hoge, heldere toon. Zijn nummer Songbird (1986), van het album Duotones, haalde de top vijf van de Amerikaanse hitlijst, en zijn album Breathless (1992) geldt als een van de best verkochte instrumentale albums ooit. De melodie staat centraal, de begeleiding bestaat uit synthesizers, een drumcomputer en zachte akkoorden, en er wordt weinig geïmproviseerd. Voor veel jazzmusici was dit geen jazz meer. Toen Kenny G in 1999 zijn saxofoon over een oude opname van Louis Armstrongs What a Wonderful World legde, schreef Pat Metheny een fel stuk waarin hij dat een belediging van de jazz noemde. De discussie over smooth jazz ging dus niet alleen over klank, maar ook over respect voor de geschiedenis.

In Nederland kreeg de gladde, funky saxofoonjazz een eigen ster. Candy Dulfer werd op 19 september 1969 in Amsterdam geboren, als dochter van tenorsaxofonist Hans Dulfer, die in de Amsterdamse jazzscene een bekende en eigenzinnige figuur was. Ze stond als kind al op het podium. In 1989 nam ze met Dave Stewart van het Britse popduo Eurythmics Lily Was Here op, de muziek voor de Nederlandse film De kassière van Ben Verbong. Het instrumentale nummer werd een hit in Nederland en ver daarbuiten. Haar debuutalbum Saxuality (1990) werd voor een Grammy genomineerd, en ze speelde later met Prince. Dulfer maakte geen jazz in de zin van Marsalis. Ze speelt funk, soul en pop met de saxofoon als zangstem. Maar haar succes laat zien hoe ver de jazz in deze jaren in de popmuziek was doorgedrongen: de saxofoon was het geluid van de jaren tachtig geworden, van een R&B-ballade tot een filmhit.

Rond 1990 stond de jazz dus op twee plekken tegelijk: in de concertzaal, waar de neotraditionalisten de geschiedenis bewaakten, en op de radio, waar de gladde saxofoon heerste. Maar er was nog een derde plek, waar de jazz op een heel andere manier een nieuw publiek vond: de dansvloer.

Set 2 · 1983-2005

Jazz in de platenbak

Dj's, dansers, rappers en producers vinden de jazz terug: acid jazz, jazzrap en nu jazz.

Take 06 · 1985-1993 · Londen

Acid jazz: dansen op oude platen

The Brand New Heavies op het podium
The Brand New Heavies, Leverkusener Jazztage, 2016

In het Londen van midden jaren tachtig draaide het nachtleven om platen. Op illegale radiozenders, de piratenzenders, en in clubs draaiden dj's oude Amerikaanse funk- en soulplaten uit de jaren zeventig die in Engeland nooit bekend waren geworden. Dat heette rare groove: zeldzame groove, platen die je alleen vond als je lang in tweedehandswinkels zocht. Dj Norman Jay, die draaide op de toen nog illegale zender Kiss FM, was een van de bekendste namen.

Een kleinere groep ging nog verder terug, naar de jazz. In clubs als de Electric Ballroom in Camden draaide dj Paul Murphy snelle bebop en Latin jazz uit de jaren vijftig en zestig. Op de dansvloer stonden jonge, vaak zwarte Londenaren die daar razendsnel voetenwerk op deden, in groepen die elkaar uitdaagden. Zo werd muziek die in Amerika als 'moeilijk' en 'om naar te luisteren' gold (zie Sessie 2), in Londen opnieuw dansmuziek.

Een van de jongste dj's in die scene was Gilles Peterson, geboren in 1964. Hij begon als tiener op een piratenzender en draaide eind jaren tachtig op zondagmiddag in Dingwalls, een club aan het water in Camden. Volgens het verhaal ontstond daar de naam van een nieuwe stroming. Het was de tijd van acid house, de elektronische dansmuziek uit Chicago die vanaf 1987 de Engelse clubs veroverde. Peterson vertelde later dat hij een oude soulplaat met een rockgitaar in het intro draaide en die steeds sneller en langzamer liet lopen, zodat hij vervormd klonk. Zijn collega-dj Chris Bangs riep toen door de microfoon: als dat acid house was, dan is dit acid jazz. In 1987 begon Peterson met Eddie Piller het label Acid Jazz. In 1990 richtte hij een tweede label op, Talkin' Loud.

Acid jazz werd de naam voor muziek die door bands werd gespeeld, maar klonk als de platen die de dj's draaiden. De bouwstenen kwamen uit de soul jazz van de jaren zestig, de jazz met hammondorgel en bluesy grooves van musici als Jimmy Smith en Lou Donaldson (zie Sessie 2), en uit de funk van de jaren zeventig. Je hoort een hammondorgel of een Fender Rhodes, een gitaar met wah-wahpedaal, conga's, een blazerssectie en een drummer die een strakke funkgroove speelt. The Brand New Heavies, opgericht in 1985 in West-Londen door drummer Jan Kincaid, gitarist Simon Bartholomew en bassist Andrew Levy, begonnen als instrumentale funkband en kregen succes met de Amerikaanse zangeres N'Dea Davenport. Met Never Stop (1991) haalden ze ook de Amerikaanse R&B-lijsten.

Op Talkin' Loud verschenen Galliano, de groep rond dichter en zanger Rob Gallagher, Incognito van gitarist Jean-Paul 'Bluey' Maunick, en Young Disciples. Die laatste groep, met zangeres Carleen Anderson, maakte in 1991 het album Road to Freedom. Anderson is de dochter van Vicki Anderson, die in de jaren zestig in de revue van James Brown zong. In Apparently Nothin' hoor je hoe acid jazz klonk in een langzaam tempo, met de soulstem van Anderson als middelpunt. Gitarist Ronny Jordan uit Londen speelde in 1992 So What van Miles Davis (zie Sessie 2) over een hiphopbeat en kwam daarmee in de Britse hitlijst.

De bekendste act die uit de scene voortkwam, was Jamiroquai, de band van zanger Jay Kay, geboren in 1969. Hun eerste single, When You Gonna Learn? (1992), verscheen op het label Acid Jazz. Het nummer begint met een didgeridoo, een lange houten blaashoorn van de Aboriginals in Australië, gespeeld door Wallis Buchanan, en gaat dan over in een funkgroove, met een tekst over het milieu. Daarna tekende de band bij Sony, en het debuutalbum Emergency on Planet Earth (1993) stond op nummer één in Engeland. Met Virtual Insanity (1996) werd Jamiroquai wereldberoemd. Van jazz was toen weinig meer over. Maar het pad liep wel van een dj in Camden die oude jazz draaide, naar een popband in de hitlijsten van de hele wereld. Peterson zelf bleef dj en presentator. Vanaf 1998 had hij een eigen programma bij de BBC, en hij bleef nieuwe jazz zoeken, ook dertig jaar later (zie Take 12).

Take 07 · 1983-1994 · New York, Londen

Jazzrap: de kluis van Blue Note gaat open

Rapper Guru
Guru, 2006

In New York kwamen jazz en hiphop elkaar op een andere manier tegen. Hiphop ontstond in de jaren zeventig in de Bronx, met dj's die met twee draaitafels het instrumentale stuk van een funkplaat, de breakbeat, steeds opnieuw lieten klinken. In de jaren tachtig kwam de sampler erbij: een apparaat dat een stukje geluid van een plaat kan opnemen, herhalen en afspelen op elke toonhoogte en in elk ritme. Zo werd sampling de basis van de hiphop (zie Mixtape 6).

Een vroege ontmoeting kwam van een jazzmusicus. In 1983 maakte Herbie Hancock, de pianist uit het kwintet van Miles Davis, met producer Bill Laswell het nummer Rockit. Grand Mixer D.ST krast daarin met een plaat op de draaitafel, een techniek die scratchen heet. Het nummer werd een hit in Europa, en de videoclip vol bewegende robots werd een van de bekendste clips van MTV. Voor veel jongeren was dit de eerste keer dat ze de naam van een jazzpianist hoorden.

Rond 1990 gingen hiphopproducers bewust op zoek naar jazz. A Tribe Called Quest kwam uit Queens, New York, en bestond uit rappers Q-Tip en Phife Dawg en dj Ali Shaheed Muhammad. Ze hoorden bij de Native Tongues, een kring van hiphopgroepen met De La Soul en de Jungle Brothers die speelse teksten, Afrocentrische ideeën en zachte, jazzy samples combineerden. Op hun tweede album, The Low End Theory (1991), bouwden ze de nummers op een diepe baslijn en samples van jazzplaten. In het eerste nummer vertelt Q-Tip dat zijn vader vond dat hiphop hem deed denken aan bebop. In Verses from the Abstract speelt Ron Carter, de bassist van het tweede kwintet van Miles Davis, zelf de contrabas. Zo zat een jazzmusicus uit de jaren zestig in de studio bij een rapgroep uit de jaren negentig.

Hoe bouw je een nummer van een oude jazzplaat? De producer zoekt een kort stuk, vaak maar één of twee maten, waarin de muziek even kaal is: een pianofiguur, een baslijn of een paar akkoorden van de blazers. Dat stuk wordt een loop, een lus die zonder einde wordt herhaald. Daaronder komt een drumpatroon, vaak zelf weer een sample van een andere plaat, en daarboven de rap. Zo ontstaat een nieuw stuk uit materiaal dat tientallen jaren oud is. De oorspronkelijke musici hoor je nog, maar ze spelen nu in een vorm die zij zelf nooit hadden bedacht.

Dat paste bij een vergelijking die veel rappers en critici maakten. Bebop was in de jaren veertig de muziek van een nieuwe, zwarte generatie die zich niet meer wilde aanpassen aan wat het publiek verwachtte (zie Sessie 2). Hiphop was dat in de jaren tachtig en negentig ook. Beide muzieksoorten draaien om ritme, om improvisatie met taal of noten, en om het opnieuw gebruiken van bestaand materiaal: de bebopmusicus schreef een nieuwe melodie over oude akkoorden, de producer bouwde een nieuw nummer van oude platen. Voor dit soort hiphop kwam de naam jazzrap in gebruik. Digable Planets won in 1994 een Grammy met Rebirth of Slick (Cool Like Dat), gebouwd op een sample van Art Blakey.

Rapper Guru, geboren in 1961 als Keith Elam in Boston, vormde met dj en producer DJ Premier het duo Gang Starr. Voor de film Mo' Better Blues (1990) van Spike Lee, over een jazztrompettist, maakten ze Jazz Thing, waarin Guru een hele rij jazzmusici bij naam noemt. In 1993 ging Guru een stap verder. Voor het album Jazzmatazz, Vol. 1 nodigde hij jazzmusici uit om zelf te spelen in plaats van alleen gesampled te worden: trompettist Donald Byrd, die in de jaren vijftig bij Blue Note opnam, vibrafonist Roy Ayers, saxofonist Branford Marsalis, de Britse saxofonist Courtney Pine en gitarist Ronny Jordan. Ook de Franse rapper MC Solaar en zangeres N'Dea Davenport van The Brand New Heavies deden mee. In Loungin' hoor je Byrd boven een trage hiphopbeat spelen. Guru overleed in 2010.

Het bekendste voorbeeld kwam uit Londen. Producers Geoff Wilkinson en Mel Simpson maakten als Us3 een nummer met samples van Blue Note-platen. Blue Note hoorde ervan, en in plaats van een rechtszaak te beginnen gaf het label het duo toegang tot het hele archief, de 'kluis'. Het resultaat was het album Hand on the Torch (1993), het eerste album van Blue Note dat in Amerika platina haalde. De single Cantaloop (Flip Fantasia) bouwt op de pianofiguur van Cantaloupe Island van Herbie Hancock (zie Take 02). Het nummer begint met een stem uit 1954: die van Pee Wee Marquette, de presentator van de New Yorkse club Birdland, die op een liveplaat van Art Blakey het publiek welkom heet. Daarna volgen de raps van Rahsaan en een trompetsolo van Gerard Presencer. Cantaloop kwam in de top tien van de Amerikaanse hitlijst. Zo verdiende Blue Note, het label van de hardbop, in de jaren negentig geld met hiphop (zie Mixtape 5).

Take 08 · 1994-2005 · Parijs, Oslo, Wenen, Bristol

Nu jazz: beats, trompet en elektronica

Nils Petter Molvær met trompet
Nils Petter Molvær, Arendal (Noorwegen), 2022

In Mixtape 5 kwamen nu jazz en triphop al voorbij, met St Germain, The Cinematic Orchestra en Massive Attack (zie Mixtape 5). Hier gaat het om de vraag waar die muziek vandaan kwam en hoe breed ze was. Halverwege de jaren negentig hadden de dansmuziek en de jazz elkaar in heel Europa gevonden. De dansmuziek bracht de beat, de lus en het werken in de studio met samplers en computers. De jazz bracht de improvisatie, de akkoorden en de klank van echte instrumenten. Voor die combinatie kwamen namen als nu jazz en future jazz in gebruik.

In Parijs werkte Ludovic Navarre als St Germain. Zijn album Boulevard (1995) verscheen bij F Communications, het label van dj Laurent Garnier, en combineerde deep house, een warme, rustige vorm van house, met jazz- en bluesfragmenten. Op Tourist (2000), bij Blue Note, staat naast So Flute uit Mixtape 5 ook Rose Rouge. Daarin komt steeds één zinnetje terug van zangeres Marlena Shaw, uit een liveopname die zij in 1973 op het festival van Montreux maakte. Het nummer laat de werkwijze van nu jazz goed horen: een sample als vaste lus, een beat als motor, en daaromheen partijen die door musici in de studio zijn ingespeeld.

In Noorwegen kwam de nu jazz uit een heel andere hoek. Pianist Bugge Wesseltoft bracht in 1996 het album New Conception of Jazz uit en begon het label Jazzland. Een jaar later verscheen Khmer van trompettist Nils Petter Molvær, geboren in 1960, bij ECM (zie Sessie 3). Molvær speelt trompet met elektronische effecten zoals galm en echo, over beats uit de drum-'n-bass, met gitarist Eivind Aarset die vooral klankvlakken maakt. Voor ECM, het label van de ingetogen akoestische jazz, was dat een opvallende plaat. Ze liet zien dat de klank van Miles Davis in de jaren zeventig, met effecten op de trompet (zie Sessie 3), in de elektronische muziek een vervolg kon krijgen.

In Wenen maakten Peter Kruder en Richard Dorfmeister, als Kruder & Dorfmeister, trage remixen van nummers van anderen. Hun album The K&D Sessions (1998) werd een standaardwerk van de downtempo (zie Mixtape 5). In Berlijn begon in 1995 het dj- en producerscollectief Jazzanova. Overal ontstond een netwerk van kleine labels, clubs en radioprogramma's, met dj's als Gilles Peterson die de platen van de ene stad in de andere draaiden.

Ook de triphop uit Bristol hing aan de jazz vast, via de platenbak. Portishead, het duo van producer Geoff Barrow en zangeres Beth Gibbons, met gitarist Adrian Utley, maakte voor Dummy (1994) veel gebruik van oude filmmuziek. In Sour Times zit een sample van Danube Incident van Lalo Schifrin. Schifrin, geboren in 1932 in Buenos Aires, speelde rond 1960 piano in de band van Dizzy Gillespie en werd daarna in Hollywood een bekende filmcomponist, onder meer van de tune van Mission: Impossible. Zo kwam via een sample een jazzpianist terecht in een van de bekendste platen van de jaren negentig.

Rond 2005 was nu jazz een herkenbaar geluid geworden, en ook een beetje een cliché: de zachte housebeat met een fluit of een saxofoon erboven, in de lounge van een hotel. Maar het idee erachter bleef. Musici en producers leerden van elkaar. De volgende generatie jazzmusici zou opgroeien met beide kanten: met de platen van Coltrane en met de beats van de producers.

Set 3 · 1999-nu

De nieuwe generatie

Van Stockholm tot Los Angeles, Londen en Amsterdam: jazz van musici die opgroeiden met pop, hiphop en Coltrane.

Take 09 · 1993-2013 · Stockholm, New York, Jerevan

Het pianotrio speelt pop

Esbjörn Svensson Trio op het podium
Esbjörn Svensson Trio: Esbjörn Svensson, Dan Berglund en Magnus Öström, 2003

Het pianotrio, piano met contrabas en drums, is een van de oudste bezettingen van de moderne jazz. Bud Powell en Bill Evans maakten er in de jaren vijftig en zestig een instrument van samenspel van (zie Sessie 2). Rond 2000 kreeg die bezetting een nieuw publiek, en dat kwam voor een groot deel uit Europa.

Pianist Esbjörn Svensson werd in 1964 geboren in Skultuna, in Zweden. Met zijn jeugdvriend, drummer Magnus Öström, en bassist Dan Berglund begon hij in 1993 in Stockholm het Esbjörn Svensson Trio, afgekort e.s.t. Het trio speelde akoestische jazz, maar dacht als een rockband. De stukken hebben vaak een eenvoudige, zingbare melodie en een herhaald patroon in de piano, een ostinato, dat langzaam aanzwelt tot een hoogtepunt. Berglund strijkt zijn contrabas soms met een vervormingseffect, zodat hij klinkt als een elektrische gitaar, en Öström gebruikt naast zijn drumstel ook elektronische klanken. Op het podium werkte het trio met licht en rook, zoals een popband.

Met From Gagarin's Point of View (1999), genoemd naar de Russische kosmonaut Joeri Gagarin die in 1961 als eerste mens om de aarde vloog, brak het trio internationaal door. Daarna speelde het in rockclubs en op popfestivals, voor een publiek dat zelden naar jazz ging. Albums als Seven Days of Falling (2003) en Tuesday Wonderland (2006) verkochten goed in heel Europa. In 2006 stond e.s.t. als eerste Europese groep op de cover van het Amerikaanse jazztijdschrift DownBeat. Op 14 juni 2008 kwam Svensson bij een duikongeluk in de scherenkust bij Stockholm om het leven. Hij was 44.

In Amerika zocht pianist Brad Mehldau, geboren in 1970 in Jacksonville in Florida, een vergelijkbare weg. Op zijn reeks albums The Art of the Trio speelde hij met bassist Larry Grenadier en drummer Jorge Rossy naast standards ook songs van popmuzikanten, zoals Exit Music (For a Film) van de Britse rockband Radiohead en River Man van de Engelse zanger Nick Drake. Mehldau speelt vaak twee zelfstandige lijnen tegelijk, met de linker- en rechterhand, een manier van spelen die op het contrapunt van Bach teruggaat. Zo werd een popsong uit 1997 een nieuwe standard, net zoals Broadwaysongs dat in de jaren veertig werden (zie Sessie 2).

Het trio The Bad Plus, met pianist Ethan Iverson, bassist Reid Anderson en drummer Dave King, ging nog een stap verder. Op These Are the Vistas (2003) speelden ze Smells Like Teen Spirit van Nirvana, met de kracht van een rockband en de vrijheid van een jazztrio. Ook buiten Zweden en Amerika ontstonden zulke mengvormen. Pianist Tigran Hamasyan, geboren in 1987 in Gjoemri in Armenië, won in 2006 de Thelonious Monk-competitie. Hij combineert jazz met Armeense volksliederen, oude Armeense kerkmuziek en de zware, ingewikkelde ritmes van metal.

Ook uit Japan en Polen kwamen pianisten die een eigen weg zochten. Hiromi Uehara, die zich kortweg Hiromi noemt, werd in 1979 in Hamamatsu geboren. Op haar zeventiende ontmoette ze in Tokio bij toeval Chick Corea, die haar uitnodigde om de volgende dag op zijn concert mee te spelen. Ze studeerde aan het Berklee College of Music in Boston, waar ook Toshiko Akiyoshi een halve eeuw eerder had gestudeerd (zie Sessie 3), en pianist Ahmad Jamal werd haar mentor. Haar eerste album, Another Mind, verscheen in 2003. Met bassist Anthony Jackson en drummer Simon Phillips vormde ze daarna The Trio Project, dat albums maakte als Move (2012). De Poolse pianist Leszek Możdżer werd in 1971 in Gdańsk geboren en studeerde klassiek piano aan de muziekacademie van zijn stad. Hij speelde onder meer met Zbigniew Namysłowski. In 2011 maakte hij een soloalbum met alleen stukken van Krzysztof Komeda, Komeda, met daarop ook Sleep Safe and Warm, het slaapliedje uit Rosemary's Baby. Het album kwam in Polen op nummer 1 van de albumlijst. Zo kreeg de Poolse jazz van de jaren zestig een nieuw publiek.

Take 10 · 2005-2016 · Houston, Portland, New York

Black Radio: jazz, R&B en de beat van J Dilla

Esperanza Spalding met contrabas
Esperanza Spalding, 2009

Pianist Robert Glasper werd in 1978 geboren in Houston, Texas. Zijn moeder zong in de kerk en in clubs, en hij groeide op met gospel, jazz en R&B. Hij studeerde aan de New School in New York, waar hij zanger Bilal leerde kennen, en speelde daarna in de bands van rappers en R&B-zangers. In 2005 tekende hij bij Blue Note als jazzpianist met een eigen trio.

Een belangrijke invloed op Glasper was een hiphopproducer: J Dilla, geboren als James Yancey in 1974 in Detroit. Dilla programmeerde zijn beats op een sampler zonder ze netjes op de tel te zetten. De bassdrum valt net te vroeg, de snaredrum net te laat, zodat het ritme een beetje dronken en wiegend klinkt. Musici noemen dat de Dilla-feel. Drummers als Chris Dave, die bij Glasper speelde, leerden dat gevoel op een echt drumstel na te spelen. Zo werd een programmeerstijl uit de hiphop een nieuwe manier van swingen. Dilla overleed in 2006. Glasper zette op zijn album In My Element (2007) een eerbetoon aan hem, J Dillalude.

Dilla hoorde rond 2000 bij een kring van musici die later de Soulquarians werd genoemd, met drummer Questlove van The Roots, zanger D'Angelo, zangeres Erykah Badu, rapper Common en Q-Tip van A Tribe Called Quest. Ze maakten samen platen als Voodoo (2000) van D'Angelo, en hun mengsel van soul, hiphop en jazzakkoorden kreeg de naam neo-soul. Ook een van de Young Lions deed mee: trompettist Roy Hargrove speelde op Voodoo en maakte met zijn groep The RH Factor het album Hard Groove (2003), met gastbijdragen van D'Angelo, Erykah Badu en Q-Tip. De lijn van de neotraditionalisten uit de jaren tachtig en die van de hiphop liepen hier voor het eerst echt samen. Glasper stapte precies in die wereld.

Met zijn tweede groep, het Robert Glasper Experiment, maakte hij in 2012 Black Radio. Op elk nummer zingt of rapt een gast, onder wie Erykah Badu, Lalah Hathaway, Bilal, Meshell Ndegeocello en Yasiin Bey. Het openingsnummer is Afro Blue, een stuk van de Cubaanse percussionist Mongo Santamaría uit 1959, dat John Coltrane in de jaren zestig vaak speelde. Badu zingt de tekst van Oscar Brown Jr., terwijl de band een trage groove speelt met de Dilla-feel van de drums en de klank van een Fender Rhodes. Het album eindigt met Smells Like Teen Spirit van Nirvana, met een stem door een vocoder, een apparaat dat de stem laat klinken als een synthesizer. Black Radio won in 2013 een Grammy, niet in een jazzcategorie, maar als beste R&B-album. Die prijs liet zien hoe dun de grens tussen jazz en R&B was geworden.

Esperanza Spalding werd in 1984 geboren in Portland, Oregon. Ze speelde als kind viool in een jeugdorkest en ontdekte als tiener de contrabas. Op het Berklee College of Music in Boston werd ze op haar twintigste docent. Spalding speelt contrabas en zingt tegelijk, wat technisch erg moeilijk is, omdat de baslijn en de zanglijn elk een eigen ritme hebben. Op Chamber Music Society (2010) combineert ze haar jazztrio met een strijktrio. In Little Fly zet ze een gedicht van de Engelse dichter William Blake op muziek.

In 2011 won Spalding de Grammy voor beste nieuwe artiest. Ze was de eerste jazzmusicus die die prijs kreeg, en ze won van popsterren als Justin Bieber en Drake. Het jaar daarop maakte ze Radio Music Society (2012), een album met songs die op de radio zouden kunnen klinken, met blazers, zang en funkritmes. In Black Gold zingt ze met Algebra Blessett over de Afrikaanse geschiedenis die zwarte kinderen in Amerika vaak niet leren. Later werkte Spalding met saxofonist Wayne Shorter aan de opera Iphigenia (2021). Glasper en Spalding lieten zien dat jazz kon samengaan met R&B, soul en hiphop zonder zijn eigen vakmanschap op te geven.

Take 11 · 2008-2018 · Los Angeles

Brainfeeder en The Epic

Thundercat met zesnarige basgitaar
Thundercat, 2018

In Los Angeles groeide in dezelfde jaren een scene die jazz, elektronica en hiphop door elkaar haalde. Het middelpunt was Flying Lotus, de artiestennaam van producer Steven Ellison, geboren in 1983. Hij is een achterneef van Alice Coltrane, de harpiste en pianiste die na de dood van haar man John Coltrane spirituele jazz maakte (zie Sessie 3). In 2008 begon hij het label Brainfeeder. Zijn album Cosmogramma (2010) bestaat uit korte, elkaar overlappende stukken: beats met de Dilla-feel, harp, strijkers, elektronische geluiden en live gespeelde bas en saxofoon.

De bassist op veel van die nummers was Stephen Bruner, beter bekend als Thundercat, geboren in 1984 in Los Angeles. Hij speelt een basgitaar met zes snaren, vaak hoog op de hals, alsof het een gitaar is, en hij zingt met een hoge, zachte stem. Als tiener speelde hij in de punkband Suicidal Tendencies, later bij zangeres Erykah Badu. Op You're Dead! (2014) van Flying Lotus, een album over de dood, spelen Thundercat en Herbie Hancock mee, en rapt Kendrick Lamar op Never Catch Me.

Thundercat maakte ook eigen platen, die klinken als een mengsel van jazzfusion uit de jaren zeventig, soul en de zachte popmuziek van de Amerikaanse westkust. Them Changes (2015) werd een van zijn bekendste nummers. Op Drunk (2017) zingen Michael McDonald en Kenny Loggins mee, popzangers uit de jaren zeventig, en met It Is What It Is (2020) won hij een Grammy. Thundercat, Flying Lotus en pianist Robert Glasper werkten ook mee aan To Pimp a Butterfly (2015) van Kendrick Lamar, het album waarop jazz, funk en hiphop samenkomen in een groot verhaal over zwart Amerika.

Op hetzelfde album speelde tenorsaxofonist Kamasi Washington, die ook de strijkers arrangeerde. Washington werd in 1981 in Los Angeles geboren als zoon van een saxofonist en fluitist. Hij speelde in de band van rapper Snoop Dogg en in tal van studio's, en hoorde bij een groep vrienden die elkaar al sinds hun jeugd kenden en zich West Coast Get Down noemden, met onder anderen Thundercat, diens broer Ronald Bruner Jr. op drums en pianist Cameron Graves. In 2015 verscheen bij Brainfeeder zijn album The Epic: drie cd's, bijna drie uur muziek, met een band met twee drummers, een koor en een strijkorkest.

Het openingsstuk, Change of the Guard, laat de stijl horen. Er is een duidelijk thema, de solisten krijgen lange solo's, en het geheel heeft de spirituele toon van John en Alice Coltrane en Pharoah Sanders uit de jaren zestig en zeventig (zie Sessie 3), maar met de kracht en de omvang van een filmscore. Voor een debuutalbum van drie uur was The Epic een groot succes, ook bij luisteraars die nooit eerder een jazzplaat hadden gekocht. Washington speelde daarna op popfestivals over de hele wereld. Met deze scene kreeg Los Angeles, dat in de jaren vijftig bekendstond om zijn heldere West Coast jazz (zie Sessie 2), een heel nieuwe jazzgeschiedenis.

Take 12 · 1991-2024 · Londen

Londen danst op jazz

Shabaka Hutchings met saxofoon
Shabaka Hutchings met Sons of Kemet, Oslo Jazzfestival, 2018

Rond 2015 ontstond in Londen een jazzscene die snel internationaal bekend werd. De wortels liggen in 1991. Toen begonnen bassist Gary Crosby en Janine Irons Tomorrow's Warriors, een organisatie die jonge musici gratis lessen en jamsessies aanbiedt, vooral jongeren met een zwarte achtergrond en meisjes, die op de conservatoria weinig te zien waren. Veel musici uit de nieuwe scene leerden daar het vak, en ze kenden elkaar daardoor al jaren voordat ze bekend werden.

Die musici hadden vaak ouders of grootouders uit het Caribisch gebied of West-Afrika. Ze groeiden op met reggae, calypso, Afrobeat uit Nigeria en de Londense dansmuziek van de jaren negentig en nul, zoals jungle en grime, een snelle, harde Londense rapstijl. Dat alles hoor je terug in hun jazz. Ze speelden niet in stille concertzalen, maar in kleine clubs en op feesten, voor een jong publiek dat stond te dansen. In 2018 verscheen bij Brownswood, het label van Gilles Peterson (zie Take 06), het verzamelalbum We Out Here, met nieuwe opnames van de belangrijkste groepen.

Een van de centrale figuren was saxofonist en klarinettist Shabaka Hutchings. Hij werd in 1984 in Londen geboren, groeide op in Barbados en kwam als tiener terug naar Engeland. Met zijn groep Sons of Kemet speelde hij in een ongewone bezetting: saxofoon, tuba en twee drummers. De tuba van Theon Cross speelt de baslijnen, de twee drummers bouwen samen ritmes die aan de Caribische carnavalsmuziek en aan Afrikaanse muziek doen denken. Op het album Your Queen Is a Reptile (2018) heeft elk stuk de naam van een zwarte vrouw die Hutchings als zijn 'koningin' ziet, als alternatief voor de Britse koningin. My Queen Is Harriet Tubman is genoemd naar de vrouw die in de negentiende eeuw slaven hielp vluchten uit het zuiden van de Verenigde Staten. Hutchings speelde ook in The Comet Is Coming en in Shabaka and the Ancestors, met musici uit Zuid-Afrika. Eind 2023 legde hij de saxofoon weg om zich te richten op fluiten.

Tenorsaxofonist Nubya Garcia, geboren in 1991 in Londen, leerde het vak ook bij Tomorrow's Warriors. Op haar album Source (2020) laat ze horen waar haar muziek vandaan komt. In het titelstuk mengt ze jazz met reggae en dub, een Jamaicaanse studiotechniek waarin de producer instrumenten weghaalt en terugbrengt en er veel echo op zet. Garcia heeft een volle, warme toon op de tenorsax, en ze speelt lange solo's die rustig opbouwen.

De meest succesvolle groep van de scene werd Ezra Collective, rond drummer Femi Koleoso en zijn broer, bassist TJ Koleoso. De band ontmoette elkaar via Tomorrow's Warriors en speelt een mengsel van jazz, Afrobeat, hiphop, reggae en Latin. Voor de groep is jazz vooral muziek om op te dansen en samen te zijn. Een nummer als Victory Dance laat horen wat dat betekent. In 2023 won Ezra Collective met het album Where I'm Meant to Be (2022) de Mercury Prize, de belangrijkste Britse prijs voor het beste album van het jaar. Het was de eerste keer dat een jazzgroep die prijs won. Daarmee stond de Londense jazz, dertig jaar na de acid jazz van Gilles Peterson, opnieuw midden in de Britse popcultuur.

Take 13 · 1974-nu · Amsterdam, Den Haag, online

Nederland, streaming en een nieuwe luisteraar

Het Bimhuis aan het IJ in Amsterdam
Het Bimhuis aan het IJ, Amsterdam, 2019

Ook in Nederland is de jazz na 1980 blijven groeien. Het centrum van de geïmproviseerde muziek is het Bimhuis in Amsterdam. Het werd in 1974 opgericht door de BIM, de beroepsvereniging van improviserende musici, en was jarenlang het thuis van musici als Misha Mengelberg en Han Bennink van het ICP en Willem Breuker (zie Sessie 3). Sinds 2005 staat het Bimhuis in een zwarte doos die uitsteekt boven het water van het IJ, naast het Muziekgebouw. Er spelen Nederlandse en internationale musici, van vrije improvisatie tot bigband.

Een generatie Nederlandse musici leerde het vak op de conservatoria, die vanaf de jaren tachtig steeds meer jazzopleidingen kregen, onder meer in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam. Altsaxofonist Benjamin Herman, geboren in 1968 in Londen en opgegroeid in Amsterdam, is een goed voorbeeld van de Nederlandse jazz in deze jaren. Met de New Cool Collective speelt hij sinds de jaren negentig dansbare jazz met invloeden uit de soul, de Latin en de boogaloo, een dansstijl uit de Latijns-Amerikaanse wijken van New York. Op het album Out of Office (2008) staat bijvoorbeeld Scuzzy Skank. In 2014 maakte de groep met popzanger Guus Meeuwis het album Hollandse Meesters, met nieuwe versies van bekende Nederlandse liedjes, van Het dorp tot Zeven dagen lang. Daarnaast maakt Herman albums onder eigen naam. Hij beweegt zich dus tussen de jazzclub, de dansvloer en de popmuziek. Gitarist Reinier Baas, van een jongere generatie, speelde op Hermans album Bughouse (2018) en maakte met altsaxofonist Ben van Gelder en het Metropole Orkest het album Smash Hits (2018). Titels als Smooth Jazz Apocalypse (2014) laten zien dat hij met een knipoog naar de jazzgeschiedenis kijkt. Op North Sea Jazz, in het Bimhuis en op kleinere festivals in het hele land staan zij naast de grote internationale namen.

De grootste verandering in deze jaren zat niet in de muziek zelf, maar in de manier van luisteren. Rond 2010 werd streaming de belangrijkste manier om muziek te horen: via Spotify, Apple Music en YouTube is bijna de hele jazzgeschiedenis met één klik te beluisteren. Daarbij spelen afspeellijsten een grote rol. Een lijst met 'jazz om bij te werken' of 'koffiejazz' brengt muziek bij miljoenen luisteraars, maar vaak als achtergrond, zonder naam of verhaal. Een bijzonder voorbeeld is de lofi hiphop: trage beats met jazzy pianoakkoorden, het geruis van een oude plaat en een zachte bas, bedoeld om bij te studeren. Twee producers gelden als de voorlopers: J Dilla (zie Take 10) en de Japanse producer Nujabes, die in 2004 muziek maakte voor de animeserie Samurai Champloo, zoals Aruarian Dance, en in 2010 bij een auto-ongeluk overleed. Op YouTube draaien sindsdien livestreams met zulke muziek, dag en nacht, voor miljoenen jonge luisteraars.

Streaming heeft voor de jazz twee kanten. Musici verdienen per keer dat hun muziek wordt afgespeeld maar heel weinig, en een lang stuk van twintig minuten past slecht in een lijst van korte nummers. Tegelijk is de hele geschiedenis die je in deze vier sessies hebt gevolgd, van de eerste opname uit 1917 tot een album van vorige maand, nu voor iedereen direct te horen. Wie na een nummer van Ezra Collective wil weten waar die muziek vandaan komt, kan in een paar klikken bij Fela Kuti, Art Blakey en Louis Armstrong uitkomen. De afspeellijst maakt jazz soms tot achtergrond, maar de zoekbalk maakt hem ook tot een archief zonder deuren.

Tegelijk vonden jonge musici via internet een eigen publiek voor jazz die helemaal niet op de achtergrond wil blijven. De Britse multi-instrumentalist Jacob Collier, geboren in 1994, werd bekend met filmpjes waarin hij alle partijen van een arrangement zelf zingt en speelt. Zangeres Samara Joy, geboren in 1999 in de Bronx, won in 2023 de Grammy voor beste nieuwe artiest, als tweede jazzmusicus na Esperanza Spalding. Haar album Linger Awhile (2022) bevat vooral oude standards, zoals Can't Get Out of This Mood. Ze zingt standards in de traditie van Sarah Vaughan en Ella Fitzgerald, en werd juist daarmee populair op sociale media. Zo kwam de jazz, die in de jaren veertig de dansvloer verliet om 'moeilijk' te worden, tachtig jaar later via de telefoon bij een generatie die hem opnieuw ontdekte.

Hier eindigt After Hours. Het verhaal begon rond 1900 in New Orleans, met brassbands, ragtime en de blues, en met musici die op het gehoor leerden spelen (zie Sessie 1). Het liep via de nachtclubs van Harlem en de jamsessies van de bebop naar de vrijheid en de elektriciteit van de jaren zestig en zeventig. In de laatste veertig jaar is jazz alles tegelijk geworden: een klassieke muziek met een eigen canon en concertzalen, een bron voor dj's en producers, een school voor popmusici en een levende scene van jonge musici in Londen, Los Angeles en Amsterdam. Wat al die vormen verbindt, is wat er in 1917 ook al was: een groep musici die naar elkaar luistert, een ritme dat vooruit wil, en de vrijheid om in het moment iets nieuws te maken. De blauwe uren van de jazz, laat in de nacht in een kleine club, bestaan nog steeds. Alleen klinkt de muziek nu ook overal daarbuiten.

Begrippen

Young Lions
Jonge musici die in de jaren tachtig in pak akoestische jazz speelden, rond Wynton Marsalis.
Neotraditionalisme
Terugkeer naar de akoestische jazz van swing, blues en bebop, als reactie op fusion en free jazz.
Canon
Vaste reeks meesterwerken en grote namen die als kern van een kunstvorm gelden.
M-Base
Kring van musici rond Steve Coleman in Brooklyn die nieuwe ritmische structuren zocht.
Gypsy jazz
Swing in de traditie van Django Reinhardt, met solo- en ritmegitaar en contrabas.
Gitaarsynthesizer
Gitaar die een synthesizer aanstuurt, zodat de gitarist andere klanken kan spelen.
Radioformat
Vaste soort muziek die een zender voor een vast publiek draait, zoals quiet storm of smooth jazz.
Rare groove
Zeldzame funk- en soulplaten uit de jaren zeventig, opnieuw gedraaid in Londense clubs.
Acid jazz
Londense stroming rond 1990 die soul jazz en funk met clubcultuur verbond.
Sampler
Apparaat dat een stukje geluid opneemt en in elk ritme en op elke toonhoogte kan afspelen.
Loop
Kort stuk muziek dat zonder einde wordt herhaald, de basis van veel hiphop en nu jazz.
Jazzrap
Hiphop gebouwd op jazzsamples of met jazzmusici, zoals A Tribe Called Quest en Guru.
Nu jazz
Mengvorm van jazz en elektronische dansmuziek, met samples, beats en live instrumenten.
Ostinato
Kort muzikaal patroon dat steeds wordt herhaald, vaak als basis van een stuk.
Dilla-feel
Wiegend, net naast de tel geplaatst ritme, naar de beats van producer J Dilla.
Vocoder
Apparaat dat een stem laat klinken als een synthesizer.
Dub
Jamaicaanse studiotechniek met wegvallende instrumenten en veel echo.
Lofi hiphop
Trage, jazzy beats met plaatgeruis, bedoeld als achtergrond om bij te studeren.

Verder luisteren en kijken

Foto's: Wikimedia Commons. Platenhoezen: Apple Music.

After Hours · Jazz, een verborgen kant van School of Rock · ArtEZ University of the Arts