Een wijk vol nieuwkomers
Rond 1910 woonde in het centrum van Harlem ongeveer een op de tien mensen die zwart was. In 1920 was dat bijna een op de drie, en in 1930 ongeveer zeven op de tien. Harlem was een buurt in het noorden van Manhattan die voor een groot deel was gebouwd voor welgestelde witte gezinnen. Toen er te veel huizen waren gebouwd, verhuurden eigenaren ze aan zwarte huurders, en daarna ging het snel.
Wie kwam, kwam meestal uit het Zuiden. Tussen 1910 en 1930 trokken honderdduizenden zwarte Amerikanen naar de steden in het noorden, de Grote Migratie. Ze wilden weg van de wetten die hen in het Zuiden van school, werk en stemhokje hielden, en ze zochten loon in de fabrieken die tijdens de Eerste Wereldoorlog arbeiders nodig hadden. Veel krantenlezers hoorden over die kans uit de Chicago Defender, een zwarte krant die over de Zuidelijke staten werd verspreid. Voor de grootste groep van die nieuwkomers in New York was Harlem het eindstation.
Foto: undetermined; published in The Chicago Defender on September 4, 1920 · Public domainZo kreeg Harlem iets wat geen andere plek in Amerika had: een grote zwarte stad binnen een stad, met eigen kranten, kerken, theaters, clubs en dichters. Wie er aankwam, vond landgenoten uit Georgia, uit de Caraïben, uit Virginia en uit Kansas. Die mengeling bracht muziek en verhalen mee, en de ruimte om ze te laten horen.
De nieuwe zwarte mens
In 1924 gaf het tijdschrift Opportunity een etentje voor jonge zwarte schrijvers, met witte uitgevers aan tafel. Het was een kennismaking met het grote publiek. Een jaar later volgde het boek dat het begin van de beweging werd genoemd. De filosoof Alain Locke stelde in maart 1925 een speciaal nummer van het tijdschrift Survey Graphic samen onder de titel Harlem: Mecca of the New Negro. Later dat jaar verscheen een uitgebreidere versie als boek, The New Negro, met gedichten, verhalen en essays van onder anderen Langston Hughes, Zora Neale Hurston, Countee Cullen en Claude McKay.
Foto: Winold Reiss, Miguel Covarrubias, Aaron Douglas · Public domainDe gedachte erachter was eenvoudig. Zwarte Amerikanen waren de karikaturen van de vorige eeuw beu. Ze wilden zichzelf laten zien: als dichters, schilders en musici, en als mensen die hun eigen geschiedenis kenden. Locke noemde dat de New Negro. We noemen het nu de Harlem Renaissance. Het was geen school met een gezamenlijk programma, eerder een periode waarin veel mensen tegelijk werk maakten dat ertoe deed, ruwweg van het begin van de jaren twintig tot de crisis van de jaren dertig.
De dichter van Lenox Avenue
De bekendste stem was die van Langston Hughes. Hij werd in 1901 geboren in Joplin, Missouri, groeide op in Kansas en Ohio, en kreeg op zijn negentiende al een gedicht over rivieren in het tijdschrift The Crisis, The Negro Speaks of Rivers (1921). Hij ging een jaar naar Columbia University in New York, maar vond zijn opleiding vooral in de straten van Harlem.
Wat hem opviel, was de muziek. In de clubs en kroegen op Lenox Avenue speelden pianisten blues, en Hughes besloot dat ritme in zijn gedichten te zetten. In 1925 schreef hij The Weary Blues, een gedicht over een pianist in een Harlemse bar, die tot diep in de nacht door speelt en daarna naar bed gaat, terwijl de melodie in zijn hoofd blijft zitten. Het won een prijs van Opportunity en gaf in 1926 zijn eerste bundel de titel.

Hughes draagt zijn bluesgedichten voor met jazzmusici achter zich, in opnamen van maart 1958. Luister hoe zijn stem het ritme van de regels volgt en hoe de muzikanten ruimte laten voor de woorden.
Ook Zora Neale Hurston, in 1891 geboren in Alabama en opgegroeid in het zwarte stadje Eatonville in Florida, kwam in 1925 naar New York. Ze studeerde als eerste zwarte vrouw aan Barnard College en maakte samen met Hughes en Wallace Thurman in 1926 het tijdschrift Fire!!, dat maar één nummer haalde. Later schreef ze Their Eyes Were Watching God (1937), en verzamelde ze in het Zuiden liederen en verhalen die ze anders voor altijd kwijt zouden zijn geraakt.
Foto: Carl Van Vechten · Public domainHet geluid van het begin
Voordat de dichters kwamen, was er al muziek die liet horen dat er een publiek was. Op 10 augustus 1920 nam Mamie Smith voor het label Okeh Crazy Blues op, een lied van Perry Bradford. Het was niet haar eerste plaat, in februari had ze al twee nummers opgenomen, maar wel de eerste die de platenindustrie wakker schudde. Er werden in minder dan een jaar een miljoen exemplaren van verkocht, vooral aan zwarte luisteraars.

Mamie Smith met Crazy Blues (1920). Smith zingt vlak en rechtstreeks, alsof ze iemand aanspreekt, en de band met blazers en piano speelt een stevig dansritme. Zo klonk de eerste bluesplaat van een zwarte zangeres.
Daarna wilden platenmaatschappijen meer. Ze begonnen zwarte zangeressen en bands op te nemen en noemden die platen race records, bedoeld voor zwarte kopers. Die term zegt veel over de tijd, maar de gevolgen waren groot: voor het eerst kon een zwarte muzikant in Harlem een plaat verkopen in heel Amerika.
Wat daarna kwam, was een stroom van muziek die de wijk volgde. Het feest in de huiskamer, met pianisten die met één hand een heel orkest nadeden. De club waar zwarte artiesten voor een wit publiek speelden. De zangeressen, de zaal waar iedereen ontdekt kon worden, en een lied uit 1939 waar niemand omheen kon.

Foto: 