SoR Magazine #5 · Harlem Renaissance · verhaal 2 van 5

Rent parties en stride

Wie de huur niet kon betalen, gaf een feest. De pianisten die daar speelden vonden een stijl uit waarin één hand een heel orkest nadoet.

Foto: New York World-Telegram and the Sun staff photographer: Fisher, Alan, photographer. · Public domain

Een feest om de huur te betalen

Wie in de jaren twintig in Harlem een woning zocht, betaalde er veel voor. Zwarte huurders hadden weinig keus waar ze mochten wonen, en dat wisten de verhuurders. Voor veel gezinnen was het elke maand een gevecht om de huur bijeen te krijgen. Een van de oplossingen was een feest.

Zo'n rent party ging als volgt. Je hing een kaartje op in de trappenhuizen van de buurt, maakte gebakken kip, varkenspootjes en maïsbrood klaar, schonk drank in en liet iedereen die kwam een paar cent betalen. Er stond een piano in de kamer, en daar zat iemand achter. De gasten dansten tot diep in de nacht, en wie het goed deed, had aan het eind van de avond de huur van de maand bij elkaar.

Voor pianisten waren die feesten een leerschool en een slagveld. Er kwam publiek dat zelf gezien had wie de beste was, en er kwamen andere pianisten die dat wilden betwisten. Zulke cutting contests konden uren duren: de een speelde zijn truc, de ander moest die overtreffen. Wie verloor, ging naar huis en ging oefenen.

De linkerhand

De stijl die uit die kamers kwam, heet stride. Hij is gegroeid uit de ragtime, maar sneller, losser en vrijer. Het geheim zit in de linkerhand. Die springt heen en weer: een lage baspoot of een octaaf op de eerste en derde tel, dan een akkoord op de tweede en vierde. Het lijkt of de hand over het toetsenbord loopt, met grote passen, en daar komt de naam vandaan. Ondertussen speelt de rechterhand een melodie vol versieringen die steeds verspringt.

Wie alleen speelt, klinkt als een heel orkest. Dat was ook de bedoeling, want in een kamer met een piano en tien gasten was er geen band. Voor wie dat wil horen: let eens alleen op de linkerhand en tel mee.

James P. JohnsonCarolina Shout · 1921

Carolina Shout van James P. Johnson, een opname van 1921 en een van de eerste jazzpianosolo's op plaat. Het was het stuk dat andere pianisten moesten kunnen spelen om mee te mogen doen. Luister hoe zijn linkerhand de maat houdt terwijl rechts steeds iets anders gebeurt.

De vader van stride

James P. Johnson, in 1894 geboren in New Brunswick in New Jersey, wordt de vader van stride genoemd. Hij kon op zijn instrument zowel de lichtere liedjes spelen als de zwaardere, bijna klassieke stukken. In 1923 schreef hij voor de Broadway-show Runnin' Wild het nummer Charleston, dat een danswaanzin over de hele wereld veroorzaakte. In 1928 ging zijn Yamekraw in première, een rapsodie die is genoemd naar een zwarte gemeenschap bij Savannah in Georgia.

Zijn leerlingen waren even beroemd als hijzelf. De jonge Duke Ellington leerde Carolina Shout noot voor noot van de pianorol uit 1921. En een andere leerling was een tiener uit Harlem die liedjes zou schrijven die half Amerika kende.

James P. Johnson in 1946, gefotografeerd door William P. Gottlieb. Dit is lang na zijn grootste jaren, maar de handen liegen niet.Foto: The Library of Congress · Public domain
James P. Johnson in 1946, gefotografeerd door William P. Gottlieb. Dit is lang na zijn grootste jaren, maar de handen liegen niet.

Fats

Die tiener was Thomas Wright Waller, in 1904 geboren in New York als zoon van een baptistische lekenprediker. Het gezin stond streng in de leer, en over zijn muziek was ruzie. Waller speelde als jongen op een orgeltje bij de preken die zijn vader op straat hield, en kreeg als tiener les van Johnson. Na zijn eerste tournee in 1921 begon hij ook op rent parties te spelen, vaak naast zijn leraar.

Hij werd bijna even bekend om zijn humor als om zijn spel. Hij praatte tijdens het spelen, grapte over de tekst en deed een liedje na alsof hij het zelf nog nooit had gehoord. Daaronder zat een stevige techniek. Zijn solo Handful of Keys, uit 1930, werd een proeftuin voor andere pianisten.

Fats WallerHandful of Keys · 1929

Handful of Keys van Fats Waller, een pianosolo in stride. Luister alleen naar de linkerhand: die blijft maar springen tussen baspoot en akkoord, hoe snel het ook gaat.

Ook als liedjesschrijver was hij succesvol. Samen met tekstschrijver Andy Razaf schreef hij in 1929 Ain't Misbehavin', voor de revue Hot Chocolates in Connie's Inn, een Harlemse club. Louis Armstrong zat toen in het orkest en zong het nummer, een optreden dat de show stal. Met zijn eigen band Fats Waller and His Rhythm toerde hij van 1935 tot 1942 en nam hij veel op.

Fats WallerAin't Misbehavin' · 1929

Ain't Misbehavin' van Fats Waller. Het lied gaat over trouw blijven terwijl je geliefde weg is, en Waller speelt het met een knipoog.

Op 15 december 1943 stierf Waller op 39-jarige leeftijd aan een longontsteking, in de trein de Santa Fe Chief, die vlak bij Kansas City stilstond. Hij was onderweg terug naar New York. Zijn uitvaart was in de Abyssinian Baptist Church in Harlem, de kerk waar zijn ouders lid waren geweest.

Wat bleef

Stride verdween niet. Art Tatum voegde er rijkere akkoorden aan toe, Duke Ellington en Thelonious Monk namen elementen ervan mee in hun eigen spel. In 1944 deden Johnson en Willie "The Lion" Smith, een andere oprichter van de stijl, nog mee aan stridewedstrijden in Greenwich Village. De twee hadden elkaar in 1914 in Newark ontmoet.

Willie "The Lion" SmithEchoes of Spring · 1939

Echoes of Spring van Willie The Lion Smith (1939). Een lyrische kant van stride, zachter dan de pianisten van de rent parties. Een aanrader als je na Waller even iets rustigers wilt horen.

Wat bleef, is het idee dat een pianist met twee handen een kamer vol mensen kan laten dansen.

Foto: New York World-Telegram and the Sun staff photographer: Fisher, Alan, photographer. · Public domain
Foto: The Library of Congress · Public domain

Lees verder · verhaal 3

Het Cotton Club

← Harlem Renaissance: alle verhalen